Vogelparadijs

Slobeend m+v, Foto Koos Dijksterhuis

Ezumakeeg is een vijftien jaar geleden blank gezette polder aan de noordoostkant van het Lauwersmeer. In en om het ondiepe water zijn veel vogels; op weinig plekken worden zoveel zeldzaamheden geturfd als hier. ’s Avonds staat de zon er mooi op, je hoort er geen auto’s maar vogels. Lepelaars, grote zilverreigers, kluten, knobbelzwanen en bergeenden blinken wit in de zon. Over eenden gesproken, er dobberen kuif-, tafel-, krak-, slob- en wilde eenden, smienten, winter- en zomertalingen.

Vier zomertalingwoerden zien we, schaars geworden broedvogels van zompige weilanden met rietkragen. Slobeenden zijn ook weidevogels, en eveneens schaarser geworden, maar in natuurgebieden zijn ze nog talrijk. We zien er tientallen. Ze zwemmen, luieren, vliegen of slobberen. Met snavels als schoenlepels smakken ze onvermoeibaar eetbaarheden uit water en modder. De vrouwtjes zijn bruin als wilde eenden, maar de woerden zijn kleurrijk. Hun groene kop met geel oog en hun roestrode buik steken af tegen het wit eromheen. Een zwemmende slobwoerd lijkt roestrode flanken te hebben, maar wanneer hij zich op zijn zij keert om zich achter een oor te krabben, is te zien dat zijn hele buik roestrood is, tot ver op de flanken.

Op de zandplaten sjouwen witte kwikstaarten, bontbekplevieren, kleine strandlopers, oeverlopers, groenpoot- en zwarte ruiters, tureluurs, kemphanen, scholeksters en grutto’s. Vlakbij in het riet krassen kleine karekieten en een rietzanger. De laatste fladdert soms een paar meter recht omhoog, zijn gekras opluisterend met heldere fluittonen. Balts.

Visdiefjes en drie soorten zwaluwen zwenken over en weer. Grauwe ganzen begeleiden hun gele kuikens. In de verte zweeft een bruine kiekendief. Hoe langer je kijkt, hoe meer je ziet, er komt geen einde aan.