Vogelenzang

Geelgors Foto Koos Dijksterhuis
Geelgors. Foto Koos Dijksterhuis

Toen het afgelopen weekend zonnig en windstil was, leek het wel lente, al lag er ijs op de plassen en bleven grasvelden wit berijpt zolang ze in de schaduw lagen. In de zon trok het wit snel weg. Toen ie wat hoger klom, wist de zon ons zijn warmte te laten voelen. We wandelden met vrienden langs de Ruiten A (een beek, geen speelkaart) bij Vlagtwedde, en kregen er een kleur van.

De vogels kregen ook het voorjaar in hun kopjes. In bomen zongen geelgorsmannen hun kenmerkende lied, dat lijkt op de Vijfde van Beethoven. Hun gele borst zwol erbij op, eigeel in de zon, mooi afgestoken tegen de azuurblauwe lucht.

Geelgorzen zijn er altijd vroeg bij. Ze beginnen in februari met zingen – het broedseizoen kan beginnen. Ze leven in een afwisselend, kleinschalig landschap met veel  bosranden, houtwallen en windsingels.

Ook veldleeuweriken zijn begonnen. We hoorden er een paar boven een voor vogels beheerde akker, met vergeelde gewassen en gemaaide stroken als landingsbanen. Algauw zagen we de leeuweriken ook, met hun puntige vleugels om elkaar heen fladderend en donderjagend.

Koolmezen, pimpelmezen, roodborstjes en winterkoninkjes waren alomtegenwoordig, maar die zongen de hele winter al, zij het lang niet zo uitbundig als nu. Hetzelfde geldt voor heggemussen, die ik dit jaar trouwens niet veel hoor. Ook groenlingen, die doorgaans in februari beginnen, hoor ik weinig. Spreeuwen zingen altijd wel, maar deden dat in zo’n lentezonnnetje wel heel tevreden en onbekommerd, met veel gepruttel en getsjier.

Vinken zijn er in overvloed en laten ook hun vinkenslag al gretig horen. Zanglijsters en merels zingen, grote lijsters eveneens, maar die zijn zeldzaam geworden.

Een boomkruiper floot zacht. Van de veel luidruchtiger boomklevers hoorden we er maar één. Wel hoorden en zagen we veel grote bonte spechten roffelen, en zelfs een zwarte specht. Die maakt een toch al zonnige dag nog stralender.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 3 maart ’22)