Vliegenvangende paapjes

Paapje. Foto Jeanette Essink
Paapje. Foto Jeanette Essink

Nog even over Polen hoor, dat komt: daar zijn veel planten en dieren die wij ook hebben of hadden, maar dan veel en veel meer. Zoals het vroeger bij ons was. In de jaren ’50 waren paapjes één van de hoofdprooien van kiekendieven op Terschelling. Nu broeden paapjes vrijwel niet meer in Nederland. Hier en daar nog in natuurgebieden of in akkerlanden met natuurlijke akkerranden. Prachtig zijn ze, met dat oranje buikje en die gebruinde snoet met witte wenkbrauwen. Helaas, we zijn ze kwijt geraakt, zoals tientallen vogelsoorten.

Wel trekken ze in de lente door ons land, als ze uit hun winterverblijf in Afrika terugkeren. Dan zijn ze onderweg naar bijvoorbeeld Polen. Daar wemelt het ervan. Op ieder hek, op iedere struik, overal zingen en fladderen paapjes. Het kan ook liggen aan het katholicisme van Polen. Een beetje paap voelt zich in Polen thuis. Maar anders ligt het misschien aan het minder uitgeklede landschap daar. Er zijn daar meer rupsen en een grotere variatie aan insecten te eten dan bij ons.

Want paapjes zijn insecteneters pur sang. Vanaf hek, paaltje of uitstekende tak voeren ze steeds korte voedselvluchtjes uit om een insect uit de lucht te happen. Daarin lijken ze op vliegenvangers, aan wie ze sterk verwant zijn. Nog meer lijken ze op roodborsttapuiten, die het dankzij de verruiging van open terrein wat beter doen in Nederland. Net als roodborsttapuiten zijn paapjes gesteld op de nabijheid van hun partner. Ze zijn vaak samen te zien, beide op vliegen jagend. Als je ze ziet tenminste. In Polen is dat geen probleem. Ieder veldje heeft zijn paapjes. In iedere bosrand zitten ze, overal zien we ze.

(Natuurdagboek Trouw 29 mei 2013)