Vijf soorten meeuwen op het strand

kokmeeuw, zilvermeeuw, kleine en grote mantelmeeuw © K. Dijksterhuis

Ze staan met hun allen in het ondiepe water, sommige op één, de meeste op twee poten. De zee golft af en aan en klotst tegen de buik van die ene meeuw met donkere rug. Die meeuw is kleiner dan de andere meeuwen met donkere rug. Het is een kleine mantelmeeuw te midden van grote mantelmeeuwen. Kleine mantelmeeuwen broeden met tienduizenden in Nederland. In de jaren twintig vestigden zich de eerste paren in Zeeland en op de Waddeneilanden. Hun aantal kroop omhoog tot zo’n zeshonderd paar eind jaren zestig. Daarna begon de expansie. In de winter trekken kleine mantels langs de kust of over zee naar het zuiden, tot Mauretanië aan toe. Sommige overwinteren in Engeland, enkele honderden blijven de hele winter rond hangen op de Noordzee. In Nederland arriveren de eerste broeders in februari, de meeste in maart. In december en januari zie je nauwelijks kleine mantels op het strand. Toch waagt zich soms een kleine tussen de grote mantels. De grote zijn hier juist in de winter. ’s Zomers strijken er wel een stuk of wat neer als badgast, soms broedt er zelfs een paartje in Nederland, maar de hoofdmoot is wintergast. Tussen de enorme meeuwen met hun zwarte ruggen staan enkele vlekkerig bruine meeuwen. Die zijn nog niet helemaal volwassen. Er staan ook meeuwen met grijze ruggen bij: grote, kleine en middenmoters. De grote zijn zilvermeeuwen, de kleine zijn kokmeeuwen, de middelste zijn stormmeeuwen. Jammer dat er niet even een drieteenmeeuw langs wipt, een meeuw die op klippen nestelt en ’s winters langs de Noordzeekust zwerft. Maar vijf soorten meeuwen bijeen zijn er al aardig wat.