Vijf procent van het boerenland mooi

Grauwe gors, © Freek Verdonckt

Vorige week citeerde deze krant drie wetenschappers onder de alarmerende kop ‘Subsidie agrarisch natuurbeheer mist ieder effect’. Terwijl Trouw laatst nog juichte dat de grauwe gors na jaren afwezigheid als broedvogel was teruggekeerd, in Oost-Groningen nog wel, ver van de dichtstbijzijnde grauwe-gorzenpopulaties in België. Die Groninger gorzen zijn te danken aan het agrarische natuurbeheer aldaar, waar ook grauwe kiekendieven, veldleeuweriken, patrijzen, graspiepers en vele andere soorten bij floreren.

Gelukkig blijken de wetenschappers dat niet te ontkennen, ze pleiten vooral voor een betere aanpak, zodat het Groninger succes geen uitzondering blijft. Boeren zouden vijf procent van hun land natuurlijk moeten beheren, zegt Geert de Snoo, voor minder doet de natuur het niet. Hij heeft gelijk: iedereen snapt dat een vierkante meter natuur in een onafzienbare steriele vlakte geen zin heeft. Pas bij ongeveer vijf procent braak heeft agrarisch natuurbeheer zin. Tenminste, voor akkervogels. Weidevogels zoals grutto’s hebben vochtige graslanden nodig, en je kunt niet vijf procent van je land vochtig houden – water stroomt weg naar de droge omgeving. En wat grutto’s aan beheer nodig hebben, past niet meer in de moderne bedrijfsvoering. Daarvoor zijn weidereservaten nodig.

Akkervogels zijn wel te redden, als je minimaal vijf procent van het land inzaait met uitgekiende zaadmengsels van kruiden en grassen. Die vijf procent is niet zomaar een percentage, het blijkt uit jarenlang agrarisch natuurbeheer, dat voortdurend wordt bijgestuurd door onderzoekers, bijvoorbeeld van de Werkgroep Grauwe Kiekendief. Al twintig jaar variëren  zij met zaaimengsels en houden ze de effecten bij op de akkervogelstand.

Die vijf procent natuur op het land is een minimum, maar kan, als het wordt braakgelegd als een netwerk van brede perceelranden, een agrarische ecologische hoofdstructuur worden van wat heb ik jou daar. Dan zou het platteland niet langer plat zijn, maar doorregen met kruidige stroken, houtwallen, rietkragen, windsingels, hagen. Maar dat zou zo’n 600 miljoen euro per jaar kosten en dat hebben we er niet voor over, ook al zou het een veelvoud opleveren aan toeristische uitgaven. Want wie wil niet op zo’n afwisselend platteland fietsen, wandelen, kanoën en pannekoeken eten?

Zoals een olifantenreservaat op de Veluwe zinloos is, is een akkerrand voor patrijzen zinloos tussen de kassen van het Westland. Het geld dat we wel voor boerennatuur over hebben, levert de meeste natuur op in de kansrijkste gebieden. Dat klinkt vanzelfsprekend, maar is pas sinds kort beleid. Elke provincie wijst kansrijke streken aan, waar boeren subsidie kunnen aanvragen voor natuurbeheer dat aan strenge eisen moet voldoen. Ook in Flevoland, dat van De Snoo van de subsidiekaart gehaald mag worden, zijn een paar gebieden aangewezen. En zelfs in dit dode land van Braks en Bleker zijn akkers te vinden waar veldleeuweriken fladderen, bontbekplevieren broeden en grauwe gorzen overwinteren.

Maar met hetzelfde geld zijn in Zuid-Limburg en Oost-Groningen meer veldleeuweriken te redden dan in Flevoland. Het is dus efficiënter alleen in die twee provincies aan agrarisch natuurbeheer te doen. Aha, maar het gaat om Europees subsidiegeld, dat in Nederland grotendeels aan de industriële landbouw uitgegeven wordt en maar voor een heel klein deel aan agrarisch natuurbeheer. De Snoo vestigt zijn hoop op de herziening van het Europese landbouwbeleid, volgend jaar. Hij pleit voor een verplichte ecologische braaklegging van vijf procent in ruil voor subsidie. Een goed idee, maar als je je consequent op de kansrijkste gebieden zou richten, zou Nederland geen cent moeten krijgen. Want zou dat geld in Polen niet veel meer veldleeuweriken en grauwe gorzen opleveren dan in de kansrijkste gebieden van ons dode land van Braks en Bleker? Zeker, daar is nog rijke boerennatuur. Het hoeft er alleen behouden, niet opnieuw gemaakt te worden. Bovendien zijn de inkomens en grondprijzen er veel lager, zodat er met hetzelfde geld meer gedaan kan worden.

Toch zou het fijn zijn als we ook in Nederland het boerenland weer een beetje mooi kunnen maken, al is het maar vijf procent van wat het ooit was.