Vertederende meeuw met boeventronie

Zilvermeeuw, © K. Dijksterhuis

Zilvermeeuwen zijn geen knuffeldieren. Misschien omdat ze zonder pardon de kuikens van knuffelbare vogels opeten, misschien omdat ze kuikens van soortgenoten opeten, misschien omdat ze vuilniszakken openscheuren en ons laten zien wat een smeerlappen wij zijn. Maar vooral omdat we op hun uiterlijk afgaan. Ze hebben dankzij hun fronsende ogen en scheve voorhoofd een weinig aaibare tronie. In de lente kunnen deze zware jongens trouwens heel teder zijn en zo met elkaar flikvlooien dat je er zin van zou krijgen. Maar ja, daar zitten dan weer lusten en driften achter. En lusten en driften vertrouwen we niet, we zijn er te gevoelig voor. Bovendien is het geen lente. Toch kunnen ook zilvermeeuwen in de herfst vertederen. Meeuwen hebben de stad ontdekt als leefgebied. Kokmeeuwen, stormmeeuwen, mantelmeeuwen en zilvermeeuwen schuimen de straatgoten, schoolpleinen, viskramen, snackbarren, vullesbakken en tuinen af. Je zou verwachten dat ze vooral bij slecht weer beschutting in de stad zoeken, maar dat is niet zo. In kletsnat herfstweer trekken ze juist de stad uit, naar de weilanden. Of naar grasperken langs uitvalswegen, plantsoengazons, voetbalvelden die nog echt gras hebben. Daar komen in de regen de regenwormen omhoog. Als kind wist u al dat je met een wrikkende spa wormen kon lokken. Zilvermeeuwen doen dat met pootgetrappel. Ze lijken door dat ritmische gestamp in trance te raken. Een in trance deinende zilvermeeuw vind ik heel aandoenlijk. Weliswaar gaat het de meeuw om vreterij, ook een drift, maar eetlust vinden wij altijd een minder gevaarlijke lust dan vrijlust. In het gras op de van regen zacht en zompig geworden klei bij Groningen zie ik komvormige kuiltjes. Daar stonden zilvermeeuwen te trappelen om een maaltje.