Varens in de winter

Varens, Foto Koos Dijksterhuis

Als je erop let hoeveel planten ’s winters groen blijven, zijn dat er aardig wat. Tuin- en parkplanten als liguster, radijsboompje, mahonia, rhododendron en skimmia zijn bekende groenblijvers. In het bos springen hulst en klimop eruit. En varens natuurlijk. Er zijn varens die in de herfst afsterven, maar eikvarens en adelaarsvarens blijven groen. Adelaarsvarens kunnen de bosbodem bedekken. Ze schuwen fel zonlicht, en als de zon klimt en langer schijnt, krijgen de bomen boven hen blad, zodat ze toch lekker in de (half)schaduw staan.

Varens hebben bladeren en wortels. Die wortels zijn wintervast, ook die van afstervende varens. In de lente groeien daar weer nieuwe bladeren uit. Prachtig zijn die, de fris groene varenbladeren die zich naar boven uitrollen. Wat varens niet hebben, zijn zaadjes. Varens vermenigvuldigen zich met sporen, die vaak in hoopjes onderaan het blad kleven. Ze kunnen oranje zijn. Als ze rijp zijn, vallen ze of spoelen ze weg en kunnen ze ontkiemen. Dan komt er niet meteen een nieuwe varen, maar eerst een voorstadium, waarin de bevruchting plaatsvindt. Mannelijke en vrouwelijke cellen komen samen, en dat heeft veel weg van een paring. Als het nat is, zwemmen de zaadcellen naar de eicellen. Uit een bevruchte eicel groeit weer een varenplant. De voorkiem, waarop diet liefdesspel geschiedt, heeft de vorm van een hartje.

Omdat varens een stokoude plantengroep zijn, worden ze wel als lagere planten aangeduid. Je zou denken dat hun levenservaring eerbied afdwingt, maar nee. Dat komt doordat ze zich nog steeds met die ouderwetse sporen behelpen. Om dat statusverschil met hogere planten te benadrukken, noemen plantenkenners de bladeren van varens geen bladeren, maar bladen of veren.