Twee Kanaries in Europa

Corsicaanse Citroenkanarie, © Koos Dijksterhuis

Als je Nederland verlaat, kun je al gauw het snelle liedje horen van een Europese kanarie. Die vogels zingen vaak vanuit de top van een conifeer. Zowel qua zangpost als lied lijken ze op heggemussen. Qua verschijning lijken ze op sijzen en groenlingen: groengele zangvogels met een kort, stomp snaveltje. Zaadeters dus, zoals alle vinkachtigen. Ze broeden van Portugal tot in Rusland, maar een strookje lage landen vermijden ze. In het zuidoosten van Nederland broeden ze mondjesmaat. Ik kom ze vooral op vakantie tegen, zoals laatst op Corsica. Soms zagen we er een, altijd nadat we hem eerst hoorden. Vanuit boomtoppen maakten ze korte baltsvluchten. Tijdens dat gefladder bleven ze zingen.

Toen we een berg beklommen, aten we op de top onze rugzak leeg, met een magnifieke uitzicht over de kust en de zee. Er passeerde een kwetterend gezelschap geelgroene, vinkachtige vogels. Maar ze zongen niet het snelle kanarielied. Ze waren ook minder schuw dan de Europese kanaries van beneden. En ze zagen er anders uit. Dat grijze achterhoofd, het leken wel citroenkanaries. Die kende ik van dagenlange bergtochten door de Alpen. Daar zag ik ze op grote hoogte. Tussen sneeuwvelden plukten ze zaden uit verdorde planten. Ik was mijn vogelboek vergeten, maar thuis las ik dat Corsicaanse (en Sardijnse) citroenkanaries geen groene bovenrug hebben, maar een bruine met strepen. Op de foto’s was die rug goed te zien.

Toen ik ze in de Alpen zag, heetten citroenkanaries nog citroensijzen. Ze lijken op allebei, maar genetisch blijken ze het meest verwant aan de putter. Citroenvink zou een betere naam zijn, als ze tenminste citroengeel waren. Maar ze zijn groengeel. Groenvink dan.