Toxische taxus

Taxus. Foto Koos Dijksterhuis
Taxus. Foto Koos Dijksterhuis

Hoe populair coniferen ook zijn, veel mensen houden er juist daarom niet van. Ze associëren coniferen met grindtegels, houtvlonders, vogelhuizen, tuinlampen, nep-amforen, boeddha-beelden en andere kitsch uit het tuincentrum. Zelf houd ik ook niet bijster van dat alles, terwijl ik met het oog op de kinderen wel een kerstboom in huis ga halen.

Want de ene conifeer is de andere niet. Jeneverbessen en venijnbomen horen tot mijn lievelingsbomen, en het zijn allebei coniferen. Dat zijn wilde soorten, die sinds mensenheugenis in onze contreien groeien. Ze blijven ’s winters groen en ze dragen bessen, waarmee ze de duistere maanden wat kleur geven. Jeneverbessen zijn paars, venijnbessen rood. Die bessen zijn trouwens geen echte bessen, zoals denne-appels ook geen echte appels zijn. Het zijn uitgegroeide zaadmantels, al zijn ze zacht en zoet, om net als bessen vogels te verleiden.

Jeneverbessen zijn die spookachtige gedaanten op de hei. Venijnbomen staan in bossen, langs bosranden en in tuinen. Niet vaak delen venijnbomen een tuin met een coniferenrijtje uit het tuincentrum. Als tuinafscheiding willen mensen iets wat snel buren en voorbijgangers het zicht belemmert. Venijnbomen, misschien nog bekender onder hun wetenschappelijke naam Taxus, groeien juist tergend langzaam, maar kunnen oud worden. Ze werden vaak in kerktuinen geplant, toen kerken de tijd (mee)hadden en graag wezen op zowel oneindigheid als vergankelijkheid. Leven en dood.

Venijnbomen hebben een venijnige naam, omdat ze giftig zijn, oftewel toxisch. De bessen zelf zijn niet-giftig, maar de zaadjes erin wel. Als koeien of paarden ervan snoepen, kan dat hun dood worden. Maar het dodelijke venijn uit de taxus kan ook tumoren in de kiem smoren en zo de dood afweren. Het wordt gebruikt in medicijnen.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 27 nov. 2014)