Texel

professor Sikbok, © K. Dijksterhuis

Als ik u zou vragen welke Waddeneilanden u het mooist vindt, is de kans groot dat Vlieland, Terschelling en Schiermonnikoog uw top-3 vormen, terwijl u Ameland en Texel toch minder vindt. Ik had dat idee ook, maar toen ik een tijdje geleden op Ameland was en vorige week op Texel, was ik onder de indruk van de landschappen daar. Het fietspad van west naar oost op Ameland, laat schitterende duinlandschappen zien. Ook Texel heeft landschappen om je natuurvingers bij af te likken. Niet voor niets broeden de laatste velduilen en blauwe kiekendieven op Ameland en Texel. De tuunwallen op het zuiden van Texel, muurtjes van plaggen, omzomen schapenweidjes en akkers. Die grappige, halve stallen horen er ook bij en huisvesten soms een paartje torenvalk. Op Texel zag ik akkers met nesten van veldleeuweriken, kieviten, scholeksters en kluten. Ja, kluten. De polderbodem was ooit Waddenzeebodem en is vergeven van de schelpen. Zand met schelpen, daar broeden kluten graag op. Er zijn natuurboeren, onder anderen Kees Kikkert waar Henk van Halm altijd kampeerde, met wilde orchideeën op het erf.

Vorige week op Texel lopen we langs de Mokbaai naar het strand. Mok betekent militair opleidingskamp. Militaire oefenterreinen zijn de mooiste natuurgebieden, omdat het vrijwel de enige gebieden zijn waar geen mensen en honden mogen komen. Van de dijk en duinen af kun je de baai overzien: er waden wulpen, stormmeeuwen en tureluurs. Wat veel tureluurs, hun getureluur versterkt die fijne sfeer van windstilte op het wad.

Er zijn twee routes naar zee: hoog of laag. Wij lopen hoog, hoewel laag langs verleidelijk ogende plassen en slenken voert. Maar wij hebben uitzicht en zien over de plassen heen. Een havik ragt voorbij, richting plas, waar de kuifeenden dekking zoeken in de rietkraag.

Het strand is smal bij het paviljoen, dat door de weeks dicht blijft. Geen koffie dus. We zitten tegen de duinrand aan, kijken over zee en eten een appel. Prompt zwermen de zilver-, kok- en stormmeeuwen toe. De stormmeeuwen staan op vijf meter afstand te wachten. Ze durven een veel grotere zilvermeeuw niet in de weg te zitten, maar stelen bliksemsnel een over het hoofd gezien brokje weg. In het laagseizoen nemen de meeuwen genoegen met appel, in de zomer willen ze op zijn minst brood.

Tussen strand en Den Hoorn kruist de weg een natte duinvallei, waar straks lepelaars, grutto’s en kluten zullen waden. Nu dobberen er eenden en een fuut. Er snort een clubje groenlingen over en boven het water schommelt een blauwe kiekendief. Een vrouwtje is het: donkerbruin met een witte stuit bovenop haar lange, ranke staart. Vrouwtjes kiekendieven zijn groter dan mannetjes. Toch mag ook dit vrouwtje wel oppassen voor die havik van daarnet. Zeker waar kiekendieven zich op een slaapplaats verzamelen, zijn ze kwetsbaar voor een havik. Die hoeft ’s avonds maar even te donderjagen, en heeft voor een etmaal zijn buik vol.

We lopen de duinen uit, de polder en het dorp in. De oude huizen en schuren zijn versierd met een wit houten, gebeeldhouwde punt op de nok. Heet zo’n versiering niet dakkam? We benen stevig door het dorp om de boot te halen,  vier kilometer zuidwaarts. Een aardig paadje waarlangs ringmussen in de berm scharrelen, komt uit bij een weidje met twee schapen en een forse ram. Die ram is op twintig meter afstand al te ruiken. Het arme dier heeft niet eens horens, maar wel een sik. Professor Sikbok komt meteen op ons af en blijkt verzot te zijn op aaien.

Welk Waddeneiland is het mooist? Wat ik ervan vind, zeg ik lekker niet, maar naar Texel wil ik zeker nog eens.