‘Tepiet, tepiet!’

Scholekster, foto Janneke Vreugdenhil

Aan de waddenkust is het vertrouwde ‘tepiet, tepiet!’ van scholeksters te horen. De meeste van deze zwart-witte steltlopers groepen samen op het wad. Vooral bij vloed wachten ze schouder aan schouder tot het weer eb wordt. De koppen gaan in de veren, hoewel er ook altijd veel te ruzieën valt: ‘tepiet, tepiet!’ Maar sommige scholeksters zonderen zich met hun tweeën af. Ze scharrelen op de grasdijk en keuvelen wat af: ‘tepiet, tepiet!’

Tot een jaar of twintig geleden ging het goed met onze scholeksters. ’s Winters hingen ze rond aan de kust, vooral in de westelijke Waddenzee. Ze aten schelpdieren die ze met de gele punt van hun lange, oranje snavel openwrikten. In de lente broedden ze op kwelders, gras en zand. Ze ontdekten weilanden, akkers en zelfs grinddaken als broedplaats en verspreidden zich over het binnenland. Minstens driekwart van de scholeksters broedde in het binnenland. Daar plukten ze wormen en emelten uit de grond, de larven van langpootmuggen.

Nog steeds broeden ze vooral op cultuurland en trekken ze ’s winters naar het wad. Zulke opportunisten, wad- zowel als weidevogels die van alles eten, ging het lang voor de wind. Maar sinds de grote vangst van schelpdieren op het wad kwam daar de klad in het scholeksterbestaan. In de winter stierven ze bij bosjes. En op het platteland is het ook hommeles. Het land wordt te vaak en te vroeg bewerkt. Het lukt scholeksters simpelweg niet meer genoeg kuikens op te voeden. Hun getalen zijn sinds 1990 met 60 procent geslonken. Sinds een jaar of vier waarschuwt scholekster-onderzoeker Bruno Ens dat we de vogels zullen kwijtraken. Maar nu zijn ze er nog. Geniet er maar van! ‘Tepiet, tepiet!’