Tepelhorens

Tepelhoren eitjes. Foto Koos Dijksterhuis
Tepelhoren eitjes. Foto Koos Dijksterhuis

Na de dagenlang aanhoudende noordenwind liggen er lapjes op het strand van Schiermonnikoog. Ook op andere stranden liggen veel van zulke lapjes. Vaak steken ze als een kratertje omhoog. Ze zijn vrij stevig en als je niet beter weet, zou je ze kunnen aanzien voor de zoveelste kunststof handelswaar die uit de zoveelste overboord geslagen container van het zoveelste mammoetschip dat tegen beter weten tijdens storm te dicht langs de eilanden vaart.

Maar het zijn geen plastic handelswaren, het zijn ook geen siliconen die ‘de vrouwelijke natuur een handje helpen’, om een advertentietekst te citeren. Nee, het zijn de eieren van zeeslakken, die gek genoeg wel genoemd zijn naar tepels, omdat ze daarop zouden lijken: tepelhorens dus. De eitjes zijn op de zeebodem afgezet, losgewoeld en naar het strand geblazen.

Als moeder tepelhoren eitjes legt, kneedt ze een kleverig mengsel van slijm en kleine zandkorreltjes, waarin ze de eitjes verpakt. Met het gelatineachtige plaksel lijmt ze de eitjes aan elkaar, in steeds kleinere cirkels, tot er een kratertje op de zeebodem staat. Tegen de tijd dat de baby-tepelhorens er klaar voor zijn, lost het gelatineplaksel op en kruipen ze weg.

Tepelhorens zijn roofslakken. Ze boren een kogelrond gaatje in de schelp van een levend schelpdier dat zich veilig in zijn doosje waant. Daardoor zuigen hun prooi naar buiten, of liever gezegd: werken hem erdoor naar binnen.

De tepelhoren omsluit de schelp met zijn voet en steekt zijn tong uit, de radula genoemd. Dat is een ronde, ruwe boortong, bedekt met duizenden tandjes. Die wordt heen en weer gedraaid in eindeloos geduld, en raspt een rond gaatje door de schelp. Het boren kan wel een halve dag duren, en een radula slijt daarvan. Hij groeit daarom continu door. Omgekeerd moet een tepelhoren regelmatig boren, omdat zijn radula anders te lang wordt, als de doorgegroeide tanden van een konijn.

(Natuurdagboek Trouw woensdag 14 april ’21)