Storm op het strand

Stuifzand op Schier, foto Koos Dijksterhuis

De wind giert om het huisje, tuinstoelen waaien weg, een fiets valt om. Het geraas wordt overstemd door een ratelende hagelhoosbui. Alleen een donderslag kan daar nog overheen brullen, een donderslag bij loodgrijze hemel. De zware wolken drijven naar oost, in het westen priemt de zon door een kiertje blauw. Het licht strijkt over de zilveren ruggen van de brandganzen in de wei achter het huis. In de duinen lichten de oranje duindoornbessen op. Kramsvogels zwermen eruit, een enkele koperwiek volgt ze. Het strand is afgelopen zomer uitgesleten door badgasten en het uitgesleten strand staat blank. De helmen van helmgras waaien bijna van de jonge strandduinen af. Voorbij die duintjes giert het zand in dichte sluiers met een noodgang oostwaarts. Er is geen mens. Badgasten zijn er niet, de weinige avonturiers zitten in het café. We zijn alleen, we leunen tegen de wind. De zee wordt opgezweept tot een brullende massa schuimkoppen. Aan de horizon staat een korte, brede regenboog klem tussen water en wolken. Een regenboog is een belofte. Algauw snelt een glinstering van zon over het water toe. Weer streelt het lage licht Schiermonnikoog, de zandsluiers stuiven als engelenhaar over het strand. Drie drieteenstrandlopers zetten zich schrap. Als ze opvliegen, worden ze weggeblazen. Wat een wind. Toch blijkt het een briesje vergeleken met wat er opsteekt in de volgende hagelbui. De plassen op het strand krijgen een duw, ze treden, nee hollen uit hun oever. Horizontaal striemen de hagelkorrels alles omver. Gezandstraald en gehageld wachten we tegen een duin tot de hagelstorm voorbij is. Een straal zon breekt door. Duindoorns vlammen, kramsvogels fladderen op, een sperwer scheert langs en jaagt voort.