Stoelgang op de Balg

© Koos Dijksterhuis

Afgezien van ons bruto inkomen op jaarbasis kennen we maar één taboe. Seks niet. In elke roman en speelfilm wordt gevreeën: functioneel naakt. Maar nooit hoor je iets over de stoelgang. Toch moet men dagelijks. Mij overkwam dat op de Balg, de strandvlakte aan de oostpunt van Schiermonnikoog. Het was springvloed, de Balg was op zijn kleinst. Nog altijd drie bij vier kilometer zand, zand, zand. Er was geen mens, dus wat lette mij?

In West-Afrika hebben veel vissersdorpjes geen sanitair. Of ze hebben een van hogerhand geplaatst toiletgebouw, maar dat gebruikt niemand, want nieuw en raar, de buren konden je zien gaan, het wordt vies en op het moment supreme weigert de doortrekker. Waarom zou men ook, men heeft het strand. Daar zit men ontspannen platvoets op de hurken. De varkens en kapgieren eten het op en wat ze laten liggen, verdwijnt met de volgende vloed. Tijdens de daad maakt men een praatje met voorbijgangers, het taboe blijkt cultureel bepaald.

© Koos Dijksterhuis

Geen strand zo verlaten als de Balg. Toch hield ik het op tot ik bij paal 16 de eerste duintjes bereikte. Daar kon ik eindelijk. Terwijl ik hurkte op de meest afgelegen en ongerepte plek van het land, keek ik rond. Zand, helmgras, een wulk, sporen van weggewaaide zeeëgels. Voorts telde ik binnen een straal van twee meter drie petflessen, een chipszak, een nylon visnet en een uitelkaar gevallen isolator of ander kunststof elektronisch hulpstuk. In het zuiden zag de blauwe lucht wit van de vliegtuigstrepen. Wel dertig. Onvoorstelbaar, zoveel vliegtuigen als er op één moment overvliegen. Opgelucht (wat kan een mens zich heerlijk voelen) repte ik me uit ongerept Nederland.