Stille huiler op de plaat

Zeehond, huiler. Foto Koos Dijksterhuis
Zeehond, huiler. Foto Koos Dijksterhuis

Op Engelsmanplaat komen nauwelijks mensen. Zeehonden zijn er des te meer. Honderden. Gewone zeehonden zien we, als we er met Bram Adema van de Pierewaai heenvaren. De eerste zeehond die we zien is een huiler. Althans, het zou een huiler kunnen zijn, al huilt hij niet. Hij ligt bij de waterlijn op het strand. Een spoor van omgeploegd zand verraadt dat hij er een meter of tien heeft opzitten. Als we in zijn buurt komen, kijkt hij ons argwanend aan. Eén oog is vochtig en rond en groot als een schoteltje, het hartveroverende oog van een jong zeehondje. Het andere oog is tot een halve maan toegeknepen. Ontstoken, een veeg teken.

Hij is zo’n zestig centimeter lang, pas geboren huilers zijn kleiner. Wat te doen? Niets, waarom zouden we iets doen? Waarom zouden we een zieke zeehond meenemen of lastig vallen? Zouden we dat ook doen met een zieke zilvermeeuw?

Dat zeehondenopvang in Nederland zijn nut heeft bewezen, maar voor de zeehondenstand niet langer nodig is, staat nauwelijks nog ter discussie. Het lijkt in de eigentijdse zeehondenopvang echter meer te gaan om prestige en gouden handdrukken dan om zeehonden.

Deze jonge zeehond op Engelsmanplaat ligt waarschijnlijk nog dagen te verhongeren. In Denemarken zou een boswachter hem voor de zekerheid door zijn kop schieten. Uit dierenliefde. In Nederland zou zo’n boswachter gelyncht worden als was hij de lokale pedofiel. In Nederland hoor je zielige zeehondjes mee te nemen, vol te spuiten met antibiotica, vet te mesten met vis en dan weer feestelijk vrij te laten. Waarna het zeehondje alsnog ziek kan worden en een langzame hongerdood sterven.

Onze stille huiler vindt het maar niks, die mensen. We laten hem met rust.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 3 juli 2014)