Stekelige rozengal

Bedeguaargal Schier, © K. Dijksterhuis

U kent vast galappels wel. Ronde knikkers, rood of geel, die onder eikenbladeren hangen. Maar gallen zijn er in de meest bizarre vormen en maten. Neem nou de bedeguaargal. Met zijn groene en rossige, harige uitsteeksels doet zo’n gal me denken aan bepaalde tropische, lycheeachtige vruchten. Gallen zijn op hol geslagen groeistuipen, woekeringen als reactie op een aantasting door een galwesp. De galwesp zit beschermd en beschut in de gal.

De bedeguaar is een wespje van drie millimeter lengte: Diplolepis rosae. Hij is genoemd naar de planten waar hij op woont: rozen. De gal op de foto zat aan een duinroos op de grens van kwelder en duinen op Schiermonnikoog. Bedeguaar zou een Perzische oorsprong hebben en betekent iets als  ‘door de wind aangevoerd’.

Bedeguaargalwespen leggen eitjes zonder inmenging van mannetjes. Maagdelijke geboorten hebben een bijbels air, maar zijn in de insectenwereld heel gewoon. Ooit is geslachtelijke voortplanting uit ongeslachtelijke ontstaan. Dat gecompliceerde gehannes tussen vrouwen en mannen heeft als voordeel dat elke nieuwe generatie genetisch door elkaar gehusseld wordt. Daardoor moeten virussen telkens een nieuwe genetische code kraken om te kunnen toeslaan.

Galwespen kennen die geavanceerde wapenwedloop met virussen niet. Zij leven er niet bekommerder om, in hun gallen. Die gallen zijn een veilige woonplaats en in één moeite door een gevulde voorraadkast. In één bedeguaargal leven meerdere larven, elk in een eigen, eetbaar kamertje.

De bedeguaargal wordt ook wel slaapappelgal genoemd. Onder je kussen zou het ragebolletje voor een diepe slaap zorgen. Ooit moet iemand dat bedacht hebben. Misschien sliep iemand per ongeluk op zo’n stekelig ding en sliep hij heerlijk. Dan is een oorzakelijk verband gauw gelegd. Maar of het klopt?