Stekelig maar zo lief

Egeltje Koos, © Jeanette Essink

Als ik op bezoek ga bij natuurvorser Jeanette Essink, heeft ze net een jong egeltje gevonden. Het hield zich bovenop een steile kanaaloever in wankel evenwicht. Het zou eraf rollen en verdrinken. Jeanette gaf het een lift in een tas met een handdoek en een bakje kattenvoer. Het egeltje ziet er koddig uit.

We brengen het beestje naar mevrouw Geselschap in Havelte. Met haar man bewoont ze een boerderij uit 1860. ‘Dit was vroeger de woonkamer’, zegt ze. Het is nog steeds de kamer waar de Geselschappen wonen, met hun kat en twee windhonden, maar nu wonen ze in bij tientallen caviahokken die de stoelen, tafels en vloer bezetten. In elk hok zit een egel. Jeanettes egeltje kruipt monter rond op mevrouw Geselschaps schoot. ‘Deze is niet miserabel’, zegt mevrouw Geselschap, ‘vaak zijn ze uitgehongerd als ze hier komen.’ Ze voelt even. ‘Hij heeft een rond buikje en het is een mannetje.’

Mevrouw Geselschap vertelt over een andere adoptie-egel die geraakt was door een auto, maar er met een gewond bekje mee wegkwam. ‘Ik was bang dat ie zou verhongeren, want hij at niets. Ik kon hem ook niet voeren, want hij bleef maar opgerold. Vanmorgen had ie zich voor het eerst ontrold. Nu komt het denk ik wel goed. Maar je weet het nooit hè, egels die zo te zien blaken van gezondheid, kunnen ineens dood in hun hok liggen. Ze kunnen van alles onder de leden hebben. Wormen hebben ze allemaal.’ De egels krijgen daarom na binnenkomst een wormenkuur en antibiotica.

Op voorspraak van Jeanette wordt het egeltje Koos genoemd. Hij krijgt een eigen caviahok in de logeerkamer. Die staat ook vol hokken. Mevrouw Geselschap gaat ons voor door gang en bijkeuken. Overal egels. De meeste slapen, maar in winterslaap gaan ze pas als het kwik daalt tot 6 graden. In de grote schuur is het al bijna zo koel. Ook daar staan de egels opgestapeld in hun hokken. Tijdens de warme herfstdagen werden er heel wat gebracht. Vaak redden egels zichzelf wel, maar soms niet. Geselschap begon dertig jaar geleden met de opvang.

‘Er was een overstroming’, vertelt haar man, ‘onze boerderij was een eilandje, waar de egels op vluchtten.’ Hongerig scharrelden de stekelige dieren rond. De Geselschappen konden het niet aanzien. Ze brachten de egels naar een egelopvang, die behoorlijk vol zat. In de boerderij was ruimte zat, toen nog wel, en van het een kwam het ander.

In de schuur staan dozen vol luxueus kattenvoer in piepkleine blikjes, een gift van een bedrijf. ‘Die moet ik allemaal openen en het vlees fijnsnijden.’  Terug in de voormalige woonkamer klinkt gesnurk. Eén van de windhonden ligt uitgestrekt op de bank, maar de snurker is een forse egel met longontsteking. ‘Het is de vraag of ie het haalt’, zegt mevrouw Geselschap, ‘maar hij eet nog, dus dat kan best goed komen.’

De hoeveelheid egels in Nederland slinkt. Auto’s, kaal geschoren landerijen en betegelde tuinen zijn de boosdoeners. Maar hier zijn er tientallen. Ze krijgen behalve kattenvoer ook appel, hooi en natuurlijk water. De hokken moeten regelmatig worden schoongemaakt. Vorige winter kende een paar zachte intermezzo’s, waarin de egels uit hun winterslaap ontwaakten. ‘Ik had er wel honderd, ik ging eraan onderdoor’, vertelt mevrouw Geselschap, ‘een stuk of zestig is nog net te doen, meer niet.’

Nu zijn er veertig. Egeltje Koos heeft genoeg gezelschap. ‘O, wat is tie toch lief!’ zegt Jeanette ten afscheid.