Steedse eekhoorn

© Koos Dijksterhuis

Rotsplanten op grachtwanden, rotsvogels op gebouwen – het is verrassend hoeveel natuur er in grote steden te zien is. Op bezoek in Londen lonken we naar wilde bertrams en andere bloemen in kleine stadsparken die steevast omheind zijn en geboeid in enorme hangsloten. Private property.

We wandelen over de Embankment van Pimlico naar de Big Ben. Het is eb in de Thames, de lindeboemen bloesemen, maar veel meer dan duiven en meeuwen zien we niet. En dat terwijl Londen een naam heeft op te houden: vossen, ja, zelfs dassen huizen in de metropool.

Op het platteland bejagen Engelsen de vos en boet het voedselaanbod in aan veelzijdigheid. In de stad is geen drijfjacht, en schuilplaatsen genoeg: een vos hoeft maar tussen de spijlen van zo’n members-only-park te glippen. En voedsel in overvloed. Mensen kopen en bestellen zoveel, dat ze veel weer weggooien. Mensen zijn daarmee zo vertrouwd geraakt, dat ze zichzelf definiëren als consumenten.

Dassen zijn een ander verhaal dan vossen. Als een stadsuitbreiding burchten opslokt, verhuizen de bewoners vaak niet– waar zouden ze heen moeten? Als ze niet worden doodgereden, ligt er voortaan een bewoonde dassenburcht in de stad.

Eekhoorns herinner ik me van Londense parken, grijze eekhoorns. Die komen uit Amerika en zijn ooit los gelaten, wisten zich uitstekend te redden en hebben ondertussen de rode eekhoorn uit Engeland verdreven. In Schotland zijn de eekhoorns nog rood en ik zag tien jaar geleden een rode eekhoorn in Zuid-Wales, maar die zal inmiddels ook wel verdreven zijn. De grijze eekhoorns hebben blijkbaar iets, wat de rode niet hebben. In ieder geval zijn ze gemakkelijker in de omgang met mensen. Het zal wel niet de reden zijn van hun hegemonie over de rode eekhoorns, maar grijze eekhoorns benaderen de mens onbevreesd. Een Londenaar vertelde mij dat hij plotseling beklommen werd door een razendsnelle squirrel, die ’s mans twaalf-uurtje wegkaapte en ermee in een boom zat voor hij zelf een hap had kunnen nemen. Roetsj roetsj.

Hydepark is het bekendste park van Londen. Het is groot en gratis toegankelijk, ligt in het centrum, heeft fraaie toegangspoorten en de befaamde Speaker’s corner, waar vandaag de dag vooral religieuze fanaten hun heilsleer verkondigen. Hydepark doet mij altijd denken aan een immens sportveld. Het bestaat uit gemillimeterd gras, doorkruist met paden, met hier en daar een boompje. Voor eekhoorns kun je beter naar St. James’s en Green Park. In het laatste dobberen zelfs krooneenden in de vijver – toepasselijk, gezien het om de hoek gelegen Buckingham Palace.

Een groepje jongeren voert M&M’s aan een eekhoorn, pinda’s in een jasje van geverfde suikerchocola. Als knaagdieren hebben eekhoorns doorgroeiende snijtanden, dus misschien krijgt cariës daardoor minder kans. Rode eekhoorns zijn met hun zwieriger staart en oorpluimpjes nog vertederender, maar het blijft een koddig gezicht, zo’n onbevangen naderend eekhoorntje, die even later zittend op zijn achterpoten een knalgeel nootje opknabbelt.

Nu natuur een linkse hobby blijkt te zijn, kan ik Highgate Cemetary natuurlijk niet overslaan. Onder imposante eiken steekt daar uit woekerend klimop de gebeeldhouwde kop van Karl Marx. Prachtige begraafplaats, niet ver van de eveneens schitterende Hampstead Heath. Dat enorme park ligt op een heuvel, vanwaar tussen de boomkruinen soms een verre blik over de stad te werpen is. Het park is zo groot, dat je zou vergeten in een wereldstad te zijn. Gauw terug naar de stenen oever van de Thames, waar alweer een linkse hobby wacht: moderne kunst in de Tate. Tegenover St. Pauls Cathedral vult dat museum een oude fabriek met zijn soms bespottelijk pretentieuze kunstwerken. Het is er stampvol en zodra de regen plaats maakt voor zon, vlucht ik naar buiten. En daar blijkt een bijzondere stadsvogel te zien te zijn: een slechtvalk. Maandag hoort u er meer over.