Stadse bijen

Gabe Bosma bij zijn bijen. Foto Koos Dijksterhuis
Gabe Bosma bij zijn bijen. Foto Koos Dijksterhuis

Verstopt in een groen wildernisje van de Groninger wijk Lewenborg ligt een kapschuur vol bijenkasten en -korven. De korven zijn van imker Gabe Bosma, die mij voor de zekerheid een flaphoed met een voile opzet. “Als ze in je gezicht steken, is dat niet leuk”, verklaart Bosma.

Een steek in mijn arm lijkt me ook geen pretje, maar als ik me rustig houd, zal er vast niks gebeuren. De bijen houden zich eveneens rustig, dankzij de rook die Bosma verspreidt uit een blaasbalg met smeulende snippers eierdoos. “Als reactie op de rook, die gevaar kan betekenen, nemen ze voor de zekerheid extra honing in”, legt Bosma uit. “En met een volle buik zijn ze minder geneigd tot agressie.”

Bosma tilt behoedzaam een korf op en keert hem om. Er zitten negen honingraten in, er krioelen bijen op, ze laten geen reactie merken op de plotselinge blootstelling aan daglicht en buitenlucht.

Bosma imkert biologisch-dynamisch. Hij gebruikt geen vergif tegen de voor bijen riskante varroamijten en zal geen koningin naar een ander bijenvolk verplaatsen. Hij laat zijn bijen overwinteren met hun honingvoorraad, waarvan hij pas in de lente een deel oogst. En hij pleit voor een gevarieerd aanbod van nectarplanten.

De kasten en korven staan gericht op een bloementuin waarin van alles bloeit, tot rode pimpernel aan toe. Op de bloemen zitten bijen, maar ook diverse soorten hommels, zweefvliegen en andere vliegen. “Bijenhouden zit enorm in de lift”, vertelt Bosma, “vooral in steden. Daar zijn tegenwoordig ook meer bloemen dan op de groene woestijn van het platteland.”

Hij wijst nog even op een amandelwilg. “Bijen zijn gek op wilgenstuifmeel, en amandelwilgen bloeien de hele zomer. Ideaal dus!”

(Natuurdagboek Trouw maandag 7 sept. 2015)