Stadsduif!

Parijse stadsduif, © K. Dijksterhuis

Stadsduiven, sommige mensen haten ze, anderen voeren ze. Ze schijten op de was en op het haar, maar voor haar schijnt het wel goed te zijn. Opnieuw de was wassen is vervelend maar het gaat eruit. Duivenpoep is verteerd plantaardig voedsel, misschien verzacht dat de ergernis van sommigen. Duiven eten vegetarisch en dat alleen al onderscheidt ze van ratten. Toch worden ze telkens vliegende ratten genoemd, ik weet niet meer aan welke schrijfster we die succesvolle term danken. Net als ratten ruimen stadsduiven patatjes op en broodresten. Wie laat patatjes en brood slingeren? Ik vind duiven leuk. Houtduiven en tortels vind ik nog leuker, maar stadsduiven, ach… Ze stammen af van rotsduiven. De stad biedt zeker zoveel spleten en richels om op te broeden als een rotsmassief. Sommige duiven schoppen het tot postduif. Een vermoeide postduif bleef wel eens hangen bij onze tamme duiven. Die woonden in een door mijn vader gemaakte til en een volière in de tuin. Ze konden altijd vliegen maar hoefden niet als ze niet wilden. Via de ring kon je de eigenaar van een postduif achterhalen. Mijn moeder belde. ‘Draai hem z’n nek maar om’, kreeg ze te horen. Voor een duif die niet in recordtijd thuis is, bekoelt de liefde blijkbaar. Toen ik zeventien was, hadden we zes duiven. De pikorde was gevestigd, de bink woonde in het hoogste hokje. Op een dag kwam een witte doffer langs. Een pauwstaart. Hij bleef. Die nacht werd vader wakker van een hels kabaal. Pauwstaart vocht met de bink. De andere duiven lagen opengepikt verspreid. Pauwstaart had ze in hun slaap afgeslacht. Wat een rat!