Staartmezen op de blikvanger

Staartmezen. Foto Jeanette Essink
Staartmezen. Foto Jeanette Essink

In een tuin met vetbollen en pindasnoeren zijn kool- en pimpelmezen vaak de eerste bezoekers. Er zijn er veel van, ze leven in woonwijken, ze zijn niet verlegen en niet bang voor andere vogels. Merels en huismussen zijn ook in bijna iedere tuin te zien. Voor vinken en roodborstjes is evenmin veel nodig.
Ietsepietsie minder voor de hand liggen groenlingen en staartmezen. Groenlingen zijn vrij forse vinken, groenig van kleur met gele randen langs hun vleugels. Altijd leuk om ze in de tuin te zien. Ze komen op zaad af.
Staartmezen zijn nog leuker. Hans Dorrestijn zei eens dat hij na zijn dood in een staartmees wil reïncarneren, omdat staartmezen het altijd zo gezellig hebben. Die indruk maken ze zeker. Ze kondigen hun komst altijd aan met hoge, zachte kwettergeluidjes, ze kwetteren aan een stuk door. Ze bewegen zich in groepen door boomkruinen, schuimen zo hele straten af. Waar wat lekkers te halen valt, blijven ze graag even plakken. Plotseling hangt er aan de vetbol zo’n fraai gekleurd vogeltje met een lange staart. Waar één staartmees is, zijn er meer. Even later komt nummer twee erbij en in de bomen of struiken zit de rest. Ze vliegen heen, ze vliegen weer: golvende bolletjes met opvallend lange staarten. Heel gemakkelijk te herkennen.
Op de foto doen twee staartmezen zich tegoed aan een door Jeanette Essink bereide maaltijd. Jeanette vult lege conservenblikken met gesmolten vet vol zaadjes en laat het vet stollen. Dan opent ze de bodem, zodat het blik aan beide kanten leeg te snoepen is. Een zitstokje eronder, en klaar is de zogenoemde blikvanger.
De staartmezen weten hem te waarderen. Gezellig hoor!

(Natuurdagboek Trouw 23 jan. 2014)