Staartmezen en klapekster bij de gevangenis

Klapekster, © Erik Sanders

De wind raast ijzig uit het noorden. We lopen met het bos in de rug en de winterzon in het gezicht, maar die wind jaagt dwars door onze kleren. In het bos wandelen is er niet bij, of je moet de verbodsborden van het Ministerie van Justitie negeren. Het bos omsluit de gevangenis in Veenhuizen, ten westen van Assen. Een goede plek voor kruisbekken wier gele en rode buiken in de boomtoppen door de lage zon in vuur en vlam gezet worden. Maar we horen en zien alleen twee vinken en wat koolmezen en staartmezen. De laatste verschijnen plotseling en schieten overal boven ons door de kale takken van een kruin. Wee het insectje dat zich in de schors niet heel goed heeft verstopt. De staartmezen lijken het gezellig te hebben, ze piepen steeds zacht en hoog naar elkaar. Zo plots als ze verschenen, zijn ze weer weg. Dan is het weer stil, ook op de hei, op die suizende wind na. We struinen een eindje tussen de pollen pijpestrootje door. Dat gras werd ooit gebruikt om pijpen mee schoon te raggen. Nu is het de grote concurrent van struikhei. Natuurmonumenten heeft op het Fochteloërveen stukken afgeplagd, waar hei herrijst en waar in de modderpoelen veenmos groeit. Hoogveenvorming. Het Fochteloërveen is één van de grootste, zo niet de allergrootste heide van Nederland. Het staat bekend om zijn kraanvogels en slangenarenden, maar huisvest ook ‘s lands slangentrio (adders, ringslangen, gladde slangen), levenbarende hagedissen en heidekikkers. ’s Winters kun je er klapeksters zien. We klimmen op een plaggendijkje en turen alle alleenstaande boompjes af. Berken en grove dennen, elke hei wordt erdoor belaagd. En warempel, we zien een klapekster. In de verte zit hij op een kale tak. Hij zal wel zoeken naar prooi. Klapeksters zijn zangvogels, maar speuren als buizerds en bidden als torenvalken voor hun eten. Grote insecten, kleine vogels, hagedissen en muizen worden aan een doorn of prikkeldraad geregen en opgegeten. Onze klapekster vliegt naar een ander boompje. Er zal niet veel prooi zijn. Hagedissen en kikkers zitten onder de bevroren modder, insecten zijn er niet, vogels weinig, muizen, misschien zijn er muizen. Maar die zullen lastig te vangen zijn onder de als parasollen uitwaaierende pijpestootjepollen. Er overwinteren in Nederland een paar honderd klapeksters uit het oosten en noorden. Tot een jaar of tien geleden broedden ze nog in Nederland, maar dat tijdperk ligt achter ons. Dat zal wel aan het verdwijnen van prooien liggen. Voor kuikens zijn grote rupsen en kleine muizen het verteerbaarst en voedzaamst en rupsen en muizen zijn sinds de sterilisatie van ons landschap niet zo talrijk meer. Maar ‘s winters en op doorreis krijgen we volwassen klapeksters nog te gast. Deze zit in de zon, zijn zwart-wit-grijze rug licht op. Met het blote oog zien we hem niet, een verrekijker is vereist, een telescoop was nog beter geweest. Erheen lopen is geen optie, het dier verontrusten is het laatste wat we willen.

De wind tegemoet keren we terug het bos in. In dit verboden bos rond de gevangenis kwam ik ooit een woest ogende man tegen die dwars door het bos beende en mij wantrouwend aankeek. Hij dacht vast dat ik ontsnapt was. Nu scheurt over het weggetje langs het bos een mercedes met chauffeur in trainingspak. De gevangenis houdt bezoekuur.