Sprintende pissebed

Pissebed, © K. Dijksterhuis

In ons huisje op Schiermonnikoog leeft, nee sterft het van de pissebedden, steenmotten of hoe ze maar heten. Na een paar weken afwezigheid ligt de vloer bezaaid met hun lijkjes. Als we de kachel opstoken, staan enkele pissebedden op uit de dood, maar de meeste zijn er echt geweest. Ik veeg ze op en gooi ze naar buiten. Er is vast een vogel of egel die pissebedden lust. Pissebedden zijn tenslotte kreeftachtigen en kreeft is een delicatesse. De opgeleefde beestjes kruipen de kamer door. Eén kruipt recht op mij af. Hij kruipt verrassend snel. Dat valt alleen op als ik even niet oplet. Net liep ie daar nog, nu is ie weg! O, daar beent hij onder mijn stoel door. Zijn vastberadenheid  is al even verrassend als zijn snelheid. Op het strand zag ik pissebedden kale zandduinen beklimmen. Als ze flink gevorderd waren, rolden ze weer terug. Eindeloos. Ik besluit deze te pakken om buiten te zetten. Als ik de lamp wegzet om erbij te kunnen, loopt de steenmot plotseling in de schaduw. Hij sprint ervandoor. Zo hard heb ik een pissebed nog nooit zien rennen. Toch krijg ik hem te pakken, tussen duim en twee vingers. Pissebedden schijnen naar urine te ruiken, waaraan ze hun weinig respectvolle naam danken. Het diertje rolt zich op. Mijn zoontje was toen hij één, twee jaar was, doodsbang voor ieder dier, van bladluis tot olifant. Op twee soorten na: huisjesslakken stak hij zonder omhaal in zijn mond alsof het toverballen waren. En steenmotten greep hij, waarna ze zich oprolden in zijn nietsontziende knuistjes. ‘Bal’, sprak hij dan opgetogen. Dit balletje laat Ik buiten vrij.