Spreeuwengenootschap

Spreeuw, © Anton Rengers

Op een zachte herfstmorgen zit ik buiten. Kinderen naar school, krantje, koffie. Uit de eiken klinken vogelgeluiden: zwiepende boomklevers, riedelende fitissen en nog veel meer. Fitissen zijn op doorreis naar Afrika. Onderweg blijven ze territoriaal – dat betekent dat ze hun terrein claimen, door te zingen dat zij er eerder waren. Het is een van hoog naar laag kabbelend deuntje. Boomklevers zijn niet op trek. Ze zijn wel luidruchtig. De hele winter laten ze hun zweepslagen horen: ‘vwiet vwiet!’

Toch zitten er fitissen noch boomklevers in die bomen. De kruinen wemelen van de spreeuwen. De spreeuwen neuzelen, fluiten, neuriën en mompelen. Er is wat aan de hand in zo’n spreeuwengenootschap! Er wordt gekletst, gekibbeld, gelachen, nieuws uitgewisseld. Daarbij praten ze andere vogels na. Zouden ze beseffen dat ze andere vogels imiteren? Ik denk het niet, ik denk dat ze alleen maar een geluid imiteren, dat ze mooi vinden. Ik heb ze feilloos een buizerd horen nadoen. Waarom dan geen boomklever of fitis?

Er zijn nu veel spreeuwen in Nederland. De nieuwe generatie van afgelopen lente en zomer is erbij gekomen – herkenbaar aan een egaal grijs tenu. En er zijn tien-, waarschijnlijk wel honderdduizenden spreeuwen uit Scandinavië gearriveerd, om de noordelijke winter te vermijden. Sommige zijn op doorreis naar Engeland, andere blijven hier.

Ze vliegen rond in zwermen die zo groot kunnen worden, dat ze de ondergaande zon verduisteren. Bossen en rietvelden kleuren zwart als de spreeuwen een slaapplaats vinden, en wit als ze die slaapplaats de volgende morgen weer verlaten. Nu zitten ze tevreden in de warme zon in de eiken met elkaar te praten. De een doet een fitis na. ‘Vwiet!’ antwoordt de ander.