Spreeuwen zijn versierders

Spreeuw op nestkast, Foto Koos Dijksterhuis

U kent de spreeuwenzwermen wel, de snorrende wolken die als vloeistofdia’s langs de avondhemel zwenken. Maar nu zwenken de wolken even niet. De spreeuwen broeden.

Sinds de eerste zonnige winterdagen zongen ze ingetogen maar melodieus. Met zang proberen mannetjesvogels vrouwen te bekoren. Spreeuwen pronken erbij met hun glanzende keelveren. Die verleidingstactiek is wederzijds. Ook vrouwen pronken met hun keelveren om mannelijke aandacht te trekken. Dat werkt: mannetjes zowel als vrouwtjes kiezen een partner met fikse onderkin. Het geheim zit hem in de veerlengte. Mannetjes hebben geen oog voor vrouwen met korte keelveren en andersom. Dat is een paar jaar geleden ontdekt door het team van Jan Komdeur, hoogleraar ecologie in Groningen. Wellicht bewijzen spreeuwen met hun keelveren onbewust dat ze kerngezond en een lot uit de loterij zijn, qua kansen op een groot en even gezond nageslacht. Spreeuwen krijgen die lange keelveren namelijk pas na een paar jaar. Dat zijn dus overlevers. Ouderdom is het vleesgeworden bewijs voor goede genen.

Spreeuwenmannen zijn rasversierders. Ze versieren hun nestholen met planten. Dat doen wel meer holenbroeders, vaak met gifplanten die de vogelmijten in het nest onder de duim houden.

Maar spreeuwen verleiden vrouwen niet zozeer met giftige planten. Al het groen voldoet. Al het groen? Nee, het is hen alleen begonnen om bloempjes, knoppen en jonge blaadjes. Intussen weet Komdeur waarom. Op bloemen, knoppen en jonge blaadjes zitten vaak pollen. En op pollen zitten vaak roofmijten. Die eten pollen, maar liever nog jagen ze op bloedzuigende vogelmijten. Zonder die bloedzuigers overleven er meer spreeuwenkuikens. Vrouwtjesspreeuwen willen dus oude mannen, en mannetjesspreeuwen willen oude vrouwen. En die versieren ze met jonge blaadjes.