Spreeuwen in vloeiende vormen

© Koos Dijksterhuis

De spreeuwen zijn uitgebroed. Ze vormen meteen weer zwermen, ’s avonds althans. Overdag zwerven ze rond in kleiner gezelschap. Ze zoeken wormen, rupsen, slakken, bessen, appels, brood, graankorrels, kaas… Kieskeurig zijn ze niet. Toch kunnen ze moeite hebben met het vullen hunner buikjes. ’s Lands voorheen talrijkste broedvogel is op zijn retour. Dat komt doordat ze gewend waren het platteland af te schuimen en het platteland wordt qua voedselaanbod zo plat als een flatscreentelevisie.

Maar al zijn het maar half zo veel als de miljoen van dertig jaar geleden, toch zijn dat nog altijd honderdduizenden spreeuwen. Straks vertrekt een deel naar Frankrijk en Engeland, maar nu zijn ze hier, met een nieuwe generatie erbij. ’s Avonds verzamelen ze zich in groepjes. De groepjes verzamelen zich op een centrale ontmoetingsplaats, onderweg sluiten steeds meer groepjes de gelederen en uiteindelijk kunnen ze met tienduizenden zijn. Dan kan het zwieren en zwermen beginnen. Snorrend scheert de meute van voor naar achter, van links naar rechts. Soms waaiert de zwerm uiteen, dan verdicht hij zich weer. De vormen die de spreeuwen aannemen, stromen als vloeistofdia’s in elkaar over. Nu eens zijn ze een reuzenhoed, dan weer een vliegende schotel, een boot, een wapperende vlag. Als de zon onder is en de horizon rood, strijken ze neer in de bomen, in het riet of op de telefoondraden (bij uw buitenlandse vakantieadres). Dan zien bomen, riet en draden zwart van de spreeuwen en de volgende morgen wit van hun poep.

Misschien botsen er wel eens twee spreeuwen in een zwerm. Maar vaak zal dat niet gebeuren. Ze vliegen achter hun voorgangers aan en reageren alert op iedere zwenking.