Spirea

Moerasspirea, © Koos Dijksterhuis

Ooit had ik planten in de tuin die wel aardig bloeiden, met gebroken witte pluimen. Maar ze groeiden in een wirwar van taaie stengels, die zich jaarlijks in aantal verdubbelden. Verdubbelen gaat snel, denk aan het Chinese verhaal van het schaakbord en de rijstkorrels. Ik vond die planten saai. Een familielid met tuinkennis zei dat het spirea was. Een tuinierende vriendin bevestigde dat. Een gekweekte vorm. Spirea kende ik alleen in het wild. Het stond in zompige ruigten. Ik vond het mooi.

Als kind nam mijn vader me meer over Schiermonnikoog. Zijn weer-of-geen-weer-tochten waren berucht. Vaak tuurde hij naar de loodgrijze hemel en sprak hij de ontluisterende woorden dat het volgens hem aan de horizon iets lichter werd. Hop, daar gingen de laarzen en regenjassen aan. In regen en wind neigde hij minder naar strand en wad, meer naar bos en duin. Op één plek wist hij spirea te staan. Altijd wees hij het aan. Toen ik groot was, bleef ik kijken of het er nog stond. De laatste jaren zie ik het niet meer, de duinen zijn overgroeid met lijsterbessen en berken. Het zal misschien op meer plekken staan, spirea is geen zeldzame plant, maar op een eiland kunnen algemene planten zeldzaam zijn. Er is ook maar één groeiplaats van Robertskruid, toch één van de algemeenste onkruiden in zelfs de meest versteende tuin.

Voor moerasspirea heb ik een zwak gehouden. Sommige dingen die er met de paplepel zijn ingegoten, raak je nu eenmaal niet kwijt, Bij de een is dat een rotsvast geloof in het hiernamaals, bij mij is het moerasspirea. Nu staat dat in mijn tuin. Veel mooier dan die suffe kweekstruik.