Spinnetjes te water

Spinrag te water. Foto Koos Dijksterhuis

Als je over het wad loopt, loop je soms over zandig terrein, soms door het slijk, soms door een decimeter kraakhelder water en soms door knie- of kruisdiep troebel water. Er is steeds van alles te zien.

Het diepe water geeft zijn bodemgeheimen slechts op de tast prijs. Soms kan een uit het wad stekende schelp van een Japanse oester of strandgaper een niet te missen indruk op je voetzool achterlaten, dwars door het kunststof van gymschoen of surflaarsje heen.

Boven water vliegen strandlopers voorbij, aan de horizon pakt een wolk vogels zich samen: goudplevieren? In de verte hoor je de melancholieke roep van wulpen. “Tjuu tjuu tjuu”, klinkt ergens een groenpootruiter. Met wat geluk zie je hem voorbij scheren.

Op ooghoogte zijn de spinnenwebben hinderlijk. Spinnenwebben? Akkoord het is herfst en de herfst is spinnentijd. In de tuin, in de heg, op het gras, in het bos; maar boven het wad?

Ja boven het wad miegelt het van de piepkleine spinnetjes. Ze zweven voorbij aan een witte parachute van spinrag. Vele landen op het zeewater, ten dode opgeschreven. Ballooning, heet dat in het Engels, ballonvarende spinnen. Ze zijn naar een hoogtepunt geklommen, staken hun gat in de lucht en weefden een soort vlieger aan een draad, steeds langer, tot ie zoveel wind ving dat de spin – hopla – het luchtruim inzweefde.

Een handige manier om te reizen, het kost de spinnen nauwelijks energie en ze gaan veel sneller dan ze kunnen lopen. Maar ze hebben geen invloed op hun koers. Bij oosten- of zuidenwind waaien ze vanuit Nederland de zee op. Ze kunnen enorme hoogten bereiken en afstanden afleggen. Maar gaat de wind dan liggen, dan gaan zij er met vlieger en al ook bij liggen. De bofkonten onder hen bereiken een Waddeneiland, of zelfs Engeland. Maar vele belanden op het water. Er drijven talloze spinnen – spartelend of verdronken. Hun witte draadjes drijven als wrakhout rond.

(Natuurdagboek Trouw maandag 15 okt. 18)