Spinnentijd

Kruisspin in web. Foto Koos Dijksterhuis
Kruisspin in web. Foto Koos Dijksterhuis

’s Morgens glinsteren spinnenwebben in de zon. Dit zijn de ochtenden van dauw. Wat maakt dauw die webben mooi. En zichtbaar. Overal webben. Dwars over paden en andere open plekken spinnen kruisspinnen ze. Ze zien er patent uit, een beetje spin spint dagelijks een nieuw. Als de spin het tijd vindt voor verhuizing, eet ze haar oude web op. Dat doet ze systematisch, in steeds kleinere cirkels, zoals ze het eerst ook maakte.

Die grote, dikke kruisspinnen zijn vrouwtjes. Sommige zijn al meer dan een jaar oud en hebben een winter overleefd. Dat lukt maar weinig spinnen. Herfststormen, regenbuien en (nacht)vorst richten onder spinnen een massaslachting aan. Toch overleven sommige kruisspinnen die slachting in een schuilplaats. Zij zijn het jaar erop de grootste spinnen. Hebben ze een kogelrond lijf, dan zit dat vol eitjes. Die belanden in een spinsel en als ze uitkomen blijven de babyspinnetjes bijelkaar. Na verstoring rennen ze alle kanten op.

Als de spinnetjes groeien, wordt het verschil tussen mannetjes en vrouwtjes zichtbaar. Vrouwtjes worden wel twee keer zo lang en vele malen zo zwaar als mannetjes. Vrouwtjes krijgen nageslacht, mannetjes zijn alleen maar even nodig als zaaddonor.

Voor de zaaddonatie zoeken mannetjes vrouwtjes. Dat is niet moeilijk, dankzij de enorme, in dauw glinsterende webben zijn ze voor de acht spinnenoogjes van verre zichtbaar. Lastiger is de toenadering. Het ferme lustobject hangt in haar web en zou het miezerige mannetje voor prooi kunnen aanzien. Door trillingen in een webdraad seint het mannetje dat het geen prooi is, maar een minnaar. Na het overhandigen van een pakketje sperma maakt het mannetje dat hij wegkomt, om niet alsnog opgegeten te worden.

(Natuurdagboek Trouw 6 sept. 2013)