Spinnen en prooien

Trilspinnen met prooi, © K. Dijksterhuis

’s Morgens wankel ik slaperig de trap af. In de gang ligt modder. Ik raap het op en het beweegt. Het is een stevige spin met prooi. Ze laat de prooi vallen: een vlieg. De vlieg beweegt nog even een pootje. Ik zet de spin buiten en werp haar de vlieg toe. Ze holt weg over de stoep en laat haar maaltijd achter. Zonde, denk ik, want dat calvinistische krijg je er nooit meer uit. Zou die spin het redden buiten? Trilspinnen niet, dat zijn binnenvetters. Boven de wc hingen er eerst drie aan het plafond, toen twee. Die bewoonden elk een hoek. De vloer was het domein van een stevige spin, zo een als de uitgezette. Ze woonde achter de wc-pot en liep ’s avonds wacht. Ik liet haar lopen. Van mij mocht ze vliegen vangen.

Trilspinnen trillen bij aanraking. Ze hebben een klein lijf en lange, dunne poten. Ze lijken op hooiwagens en volgens sommigen zelfs op langpootmuggen. Op een morgen zijn beide trilspinnen afgedaald. Dertig centimeter boven elkaar delen ze dezelfde benedenhoek. De één draagt een klein voedselpakketje, de ander een prooi die zich in omvang tot haar verhoudt als Goliath tot David. De trilspin begint haar prooi in te spinnen. Het slachtoffer is de stevige spin. Die beweegt niet meer. De trilspin rolt haar prooi snel op tot een handzaam pakje, dat ze begint leeg te zuigen. Dat zuigen duurt dagen. Elke morgen zie ik het voedselpakketje wat platter worden. Na vijf dagen heeft ze het laten vallen. In het spinsel zit een leeg spinnenhuidje met acht poten.

Het voedselpakketje van de andere trilspin bevatte waarschijnlijk trilspin nr. 3.