Spin vs. kever

Viervlekwielwebspin + mestkever, © Koos Dijksterhuis

We drinken thee bij Rob Bijlsma, achter zijn droomhuisje. Hij bewoont één van de meest geïsoleerd gelegen boswachterswoningen van Nederland, waar hij tussen wanden vol boeken aan zijn nieuwste boek werkt: ‘Mijn roofvogels’. We kijken uit over een vennetje in het bos. Er hinnikt schel een vogel. Een zwarte specht vliegt weg over de dennen. ‘Weinig vogels zijn zo goed in hoor- en zichtbaar vliegen als zwarte spechten’, grinnikt Rob. Ze lijken daardoor een gemakkelijke prooi voor haviken en  sperwers, maar zijn dat niet. ‘Ik heb eenmaal een havik kalm achter een zwarte specht zien aanvliegen, die snoeihard gilde. De havik deed geen moeite te versnellen, het leek alsof het gillen hem afstootte of hooguit geïnteresseerd deed volgen.’ Er neuzelen mezen, er tjuppen vinken, hoog boven ons roept een sijs, kneuen vliegen kneuterend over. Wat verder weg klinkt een geluidje dat zelfs Rob even doet fronsen, maar algauw gaat het over in het fluitje van een goudvink.

Het is een zonnige, warme middag. Vogels houden daar wel van, net als wij koesteren ze zich graag in de zon. Rob vertelt over de bosuil die bij zijn huis woont. Die zit wel eens midden overdag in de zon, hoog in een boom. ‘Dan hoor je hem zacht voor zich uit roepen’, zegt Rob die zelf ook vaak hoog in een boom zit. ‘Hooee’, imiteert hij de uil. Ook de nachtzwaluw die achter zijn huis broedt, zingt overdag wel eens, zij het zachter dan ’s nachts. ‘Rrrrrr.’ Rob vertelt dat hij, toen hij dagenlang hoog in een boom zat om wespendieven te bestuderen, een keer vanuit de lucht bezoek kreeg van een oorverdovende Chinook-helicopter. ‘Ik had een dennenappel naar binnen kunnen gooien’, zegt hij, ‘zo dichtbij. Hij had mij totaal niet in de gaten.’ Welke helicopterpiloot verwacht er ook een vogelaar bovenin een boom? De helicopter deed een nachtzwaluw opschrikken. ‘Die vloog vlakbij op en had daar al die tijd op een tak gezeten’, zegt Rob, ‘ik had niets in de gaten, je ziet ze niet, ze hebben zo’n perfecte schutkleur.’ En welke vogelaar verwacht er overdag ook een nachtzwaluw naast zich?

Nachtzwaluwen zijn geen familie van zwaluwen, maar hebben een enigszins zwaluw-achtige vorm en vliegwijze. Boven open plekken in het bos kun je ze in de schemer wel eens zien of horen vliegen. ‘Rrrrrr.’

Wespendieven zijn roofvogels die op buizerds lijken, maar slanker zijn. Ze zijn verzot op wespen, wier nesten ze openraggen om de larven te kunnen opeten. Rob is weg van wespendieven, hij heeft ooit zelfs een min of meer tamme gehad. Toevallig zagen we op weg naar hem nog twee licht gekleurde wespendieven onder de azuurblauwe lucht cirkelen. Die zullen wel op het punt gestaan hebben naar Afrika af te taaien.

We staren naar een klein spinnenweb voor ons. Een dikke spin hangt erin, gebogen over een ingesponnen vlieg die ze leegzuigt. Het is een viervlekwielwebspin. De volgende prooi hangt al minutenlang te trappelen. Het is een mestkever. Mestkevers zijn dikzakken. Aan een paar samengeklonterde draden bungelt hij rechtop, als aan een parachute. Zijn zes pootjes bewegen traag, alsof hij nog steeds wandelt, maar dan in de lucht. Of een kever doodsangst kent is lastig te zeggen, maar hij zal zijn benarde positie vast onheilspellend vinden.

Als de vlieg eindelijk op is, wendt de viervlekwielwebspin zich tot haar hoofdgerecht. Ze benadert hem voorzichtig, want ze kan nooit weten. Rob zag een keer een wesp in een spinnenweb, die weliswaar stierf, maar pas nadat hij de spin ook had gestoken. Allebei dood. Een verlies-verlies-situatie. Een mestkever is een ongevaarlijke sul, maar weet de spin dat? Spinnen kennen hun prooien een beetje, ze zijn voorzichtig met kevers. Het kunnen bombardeerkevers zijn, die met een knalletje een kokend heet, bijtend vergif spuiten. Ze strekt haar acht poten uit over de kop van de mestkever. Die staakt zijn luchtwandeling en hangt roerloos.