Spikkelspreeuwen op de wingerd

spreeuwen
Spreeuwen. Foto Koos Dijksterhuis

Er zijn veel spreeuwen in het land. Er is afgelopen lente een generatie bijgekomen en uit Noordoost-Europa vallen spreeuwen ons land binnen. Een deel van onze broedvogels schuift door naar vooral Engeland, maar zolang hier nog fruit en insecten zijn, maken ze geen haast.

Vanuit een stadse bovenwoning waar ik vaak verblijf zag ik een groepje van een stuk of vijftien spreeuwen aan komen vliegen. Ik heb uit deze woning nog maar een paar keer eerder spreeuwen gezien, en alleen op enige afstand. Ik was dus verrast. De vogels streken neer in de boom van de onderburen. Even bleven ze daar, misschien om te inspecteren of de kust veilig was. Waren er katten, honden of sperwers? Blijkbaar niet, want na een seconde of twintig stortten ze zich als één organisme op de enkele meters lager gelegen pergola.

Over die pergola slingert een wingerd. ’s Zomers is dat een massa groen, waarin de kat van onderburen een slaap- en schuilplek heeft ingericht. Dat maakt de wingerd onbruikbaar als nestelplaats voor het plaatselijke koppel merels. Na de zomer kleurt de wingerd rood en verschrompelt hij tot een pierig plukje rossige en gele sprieten. Voordat deze teloorgang plaatsvindt draagt de klimplant nog even donkere besjes. De spreeuwen zagen dat of herinnerden zich het misschien van vorig jaar. Ze verdrongen zich tussen en op de ranken van de wingerd en lieten zich door mij bespieden.

Ze waren niet glanzend zwart zoals in de lente, ze droegen een spikkelkleed. Ze hebben in de zomer geruid en hun nieuwe veren zijn uitgedost met witte punten. Die zullen komende winter afslijten tot ze hun zwarte lentekostuum dragen. Spreeuwen zijn het mooist in versleten veren, maar ook in hun nieuwe pak mogen ze er wezen.

(Natuurdagboek Trouw maandag 7 nov. 2016)