Spiegelbeeldig

Wilde zwanen, © Jeanette Essink

De krab, de schol, de narwal en de kruisbek hebben niet veel gemeen, maar wat ze gemeen hebben is opvallend: ze zijn asymmetrisch. Doet u met uw mond een poging de snavel van de kruisbek te imiteren, dan vinden uw toeschouwers u misschien kortstondig grappig, maar al gauw zal men u lelijk vinden. Kruisbekken hebben een scheve snavel omdat ze daarmee de zaden uit pijnappels kunnen wrikken. Krabben zijn rechtshandig en hebben één grote schaar. Als ze die verliezen, neemt de linkerschaar de handigheid over en groeit die schaar uit. Schollen en andere platvissen liggen op hun zij in het zand. Een oog in het zand is niet gunstig en dus is bij platvissen dat ene oog van de onderzijde naar boven verplaatst. Een narwal is een walvis met een lange, eenhoorn-achtige spies op zijn snuit. Het is een uitgegroeide snijtand die soms wel drie meter lang kan worden. Vrijwel alleen mannetjes hebben zo’n tand en het is altijd de linkersnijtand. Narwaltanden zitten tjokvol zenuwen. De mannen schermen ermee. Maar meer dan een gevecht is dat een aftasten van rivalen. Wat de narwal aan voordeeltjes uit de asymmetrie sleept? Waarschijnlijk geen. De narwal heeft twee tanden waarvan één lang is. Een enkele keer heeft zo’n dier twee van die zwaarden. Ik kan me indenken dat de voordelen van zo’n tweede tand niet opwegen tegen de nadelen: zo’n ding vereist nogal wat energie in groei en gebruik. De twee snijtanden zitten wel symmetrisch in de bovenkaak, één links, één rechts. Die linkertand groeit vlak naast het midden uit de kaak, dus heel scheef ziet een narwal er niet uit. Narwalvrouwen vinden die mannentanden waarschijnlijk prachtig en misschien maakt een klein beetje asymmetrie de mannetjes zelfs wel des te aantrekkelijker.

Bij mensen is dat inderdaad zo. Een moedervlekje op de ene wang, een oor dat een halve centimeter lager zit dan het andere, een subtiel opgetrokken mondhoek of irissen in twee kleuren kunnen een mens een interessant gezicht geven. Maar al deze interessante kenmerken tegelijk zou te veel van het goede zijn. Een scheve bek, schele ogen, een schuin hoofd vinden wij lelijk. Een knipoog is charmant, maar zou dat ene oog altijd uit de pas met het andere knipperen, gaat de charme er snel af.

Op twee benen of vier poten staat het misschien stabieler als ze elkaars tegenovergestelde zijn , met twee oren en ogen zijn afstanden te schatten en dingen te lokaliseren. In de ontwikkeling van zulke ingewikkelde lichaamsdelen is het logisch dat dezelfde vorm twee keer wordt toegepast. Maar het grootste voordeel van spiegelbeeldige lichaamsdelen is wel hun aantrekkelijkheid. Wat door vel en haar aan het zicht is onttrokken, is lang niet altijd symmetrisch. De lever, milt, nieren, zelfs het hart zit niet in het midden. Zelfs onze longen zijn niet elkaars spiegelbeeld, de linkerlong is wat kleiner dan de rechter. Dat komt doordat het hart links zit om rechts plaats te maken voor de lever. Wat kan het schelen, je ziet het toch niet.

Bij boerenzwaluwen is wel eens gekeken hoe vrouwtjes reageren op mannetjes met een asymmetrische staart. Boerenzwaluwen hebben een lange, gespleten staart. Als bij mannetjes, waarvoor de vrouwtjes bij bosjes vielen, één staartpunt werd afgeknipt, verloren de vrouwtjes alle belangstelling.