Sneeuw van iepenzaad

Iep. Foto Koos Dijksterhuis
Iep. Foto Koos Dijksterhuis

De iepen laten hun zaden vallen. Die zaden zijn klein, en zitten in een dun envelopje. Ze dwarrelen wat verder van de boom dan een appel. Als de iepen veel zaad dragen, kan het zaden sneeuwen.

In steden staan vanouds veel iepen, zeker in Groningen. Er hebben er nog veel meer gestaan. De iepziekte, een verwoestende schimmel die meelift met iepenspintkevertjes, heeft er heel wat doen sneuvelen. Maar ook zonder natuurrampen stonden er vroeger meer bomen in steden dan nu. De laatste honderd jaar kreeg vooral de auto de ruimte en delfden bomen het onderspit.

In het Groninger historische tijdschrift Stad & Lande staat daar een leuk artikel over van Tonko Ufkes. Het tijdschrift belandt de laatste tijd op mysterieuze wijze in de bus van het huis waar ik tot vijf jaar geleden woonde, en met enige vertraging krijg ik het onder ogen.

De stad Groningen stelde in 1643 een stadssnoeier aan, die meer bomen kocht en plantte dan snoeide. Twee keer per jaar moest hij “de hagedoorns op de wallen scheren”, schrijft Ufkes, maar verder was hij bezig met het op de kop tikken van honderden bomen. Hij besteedde er honderden guldens per jaar aan. Een iep kostte acht stuivers, een linde een gulden.

De nieuwe aarden stadswallen om Groninger stadsuitbreidingen moesten met bomen verstevigd worden. En in de stad was ook behoefte aan groen, getuige de vele bomen, onder meer rond de A-kerk en Martinikerk en op de Vismarkt en Ossenmarkt. De wallen raakten bebost met iepen, de pleinen met lindes. En zo was “de binnenstad rond 1700 veel groener dan nu”, aldus Ufkes.

Er zijn minder iepen dan toen, maar nog genoeg voor een plaatselijk zadensneeuwbuitje.

(Natuurdagboek Trouw maandag 1 juni 2015)