Sneeuw en ijs

Foto Koos Dijksterhuis

Dat er na tien dagen vrijwel ononderbroken vorst, met nachten waarin het rond de min 20 was, nog geen Elfstedentocht komt, belooft weinig goeds voor de toekomst van deze tocht.

Drs. P. had dat veertig jaar geleden al door. Toen leidde hij zijn Elfstedentochtlied al in met een uitleg over water, dat bij lage temperatuur hard werd. Met ondergebonden ijzers stelden lieden zich op dat harde water op, om zich op een afgesproken teken tegelijkertijd in dezelfde richting te begeven. Via een omslachtige route bereikte men Leeuwarden. Dat gebeurt niet meer, wat drs. P. begin jaren ’70 weet aan industriële lozingen. Ook koelwater was een boosdoener. Tot 1963 was er iedere vijf, zes jaar een Elfstedentocht, in ’40, ’41 en ’42 zelfs drie keer achter elkaar. Na de hel van ‘63 werd het water jarenlang ook in strenge winters niet hard genoeg voor de schaatstocht.

Sinds 1975 mag chemisch afval niet meer gedumpt worden en passeert rioolwater meestal een zuiveringsinstallatie, alvorens het de kanalen en meren bereikt. Het water is daar schoner door geworden. Dat er toch vrijwel nooit genoeg ijs is, zou aan de hogere temperatuur kunnen liggen. Want dat het warmer wordt, staat vast.

Nog steeds weten tuiniers, nog steeds staat in de tuinfolders dat een tuinvijver minimaal tachtig centimeter diep moet zijn, omdat hij anders tot de bodem kan bevriezen. Dikker dan tachtig centimeter wordt het ijs niet. Tachtig centimeter! Uit welke tijd stamt dat idee? Haast nergens in Nederland haalde het ijs afgelopen week een dikte van vijftien centimeter. Een tuinvijver is klein en stroomt niet, tuinvijverwater wordt dus sneller hard dan het Sneekermeer, maar tachtig centimeter…?

Een vijver mag niet helemaal hard worden, want dan bevriezen de goudvissen en kikkers. Op tachtig centimeter zitten uw vissen zeker goed.

Drie zomers bezocht ik Groenland. Daar ga je vanzelf nadenken over ijzige onderwerpen. Op Groenland ligt evenveel ijs als op het koudere en twee keer zo grote Antarctica. Groenland is een kom, een lange bergrug in de vorm van een omgekeerde C. Temidden van die bergketen ligt een zee van vijfhonderd meter diep. Zout water wordt pas hard bij min 4, maar die zee is tot de bodem bevroren. Vijfhonderd meter. Door sneeuwval groeide een berg, een berg tot ijs geplempte sneeuw. Die berg, de grote Groenlandse gletscher, heeft een top van 3100 meter. Ondertussen is daar misschien al honderd meter van afgesmolten. De Groenlandse gletscher slinkt, dus laat hem nog drie kilometer hoog zijn. Dan heb je een laag ijs van drieënhalve kilometer. Daar zou je een helse tocht kunnen schaatsen! Berg op, berg af. Een Mt. Ventoux op ijzers.

Het dooide in Nederland op sommige plekken even, donderdag. Niet genoeg om de hardgevroren sneeuw te doen verdwijnen, maar er smolt een laagje. ’s Nachts werd dat weer hard. Meerkoeten, eenden en ganzen die onder de sneeuw naar gras snabbelen, stuiten op zo’n ijslaag. Op Groenland is iets dergelijks gebeurd, op grotere schaal. Het veldstation waar ik bivakkeerde, wordt ’s winters niet bevolkt. Wel slaat een computer de klimaatgegevens op. Er was één winterdag geweest met dooi. Daarna was het weer weken rond de min 30. Vandaar die knoeperharde ijslaag in de sneeuw. De muskusossen hadden het overleefd. Ze waren kennelijk in staat die ijslaag door te beuken. Honderdvijftig jaar eerder waren door zo’n vlaag van winterdooi de rendieren uitgestorven in Oost-Groenland. Je vond nog wel eens een gewei, minstens anderhalve eeuw oud. Met tien maanden vorst per jaar vergaan geweien niet zo gauw.