Slijmerige slak

© Koos Dijksterhuis

Dat droge voorjaar is nog niet ingehaald door de natte zomer, of de bos- en tuinpaadjes zijn vergeven van de slakken. Huisjesslakken, maar vooral naaktslakken. Gekke naam. Alsof huis en haar hetzelfde zijn als kleding. Naaktslakken hebben geen huisje, maar wel een schelp, een rudimentaire schelp. Dat is die stierennek, dat schild achter hun kop. Dat heet het mantelschild. Er is een gaatje in waardoor ze ademen. Maar een huisje hebben ze niet. Bij droog en zonnig weer schuilen ze overdag in het strooisel op de grond, onder dichte struiken, in holle bomen, onder de mat en in de kruipruimte. Soms kraken de huisloze weekdieren ook een woning. Uw woning bijvoorbeeld. En de mijne. Ik heb eens alle kiertjes dichtgekit, teneinde die slakken buiten te houden. Zelfs kieren tegen het plafond. Maar ’s morgens waren er toch weer nieuwe sporen getrokken, glinsterende slingerlijntjes op de deurmat. Confetti van plastic.

De rode wegslak die ik in de gang aantrof, zat als een hoefijzer tegen de wand geplakt. Hij keerde langzaam maar gestaag terug naar vaste grond. Ik heb hem eruit geknikkerd. Dat doe ik met een lege closetrol, want ze maken zich meteen kort en dik en je blote handen raken onder het slakkenslijm. Dat is een kleverig en smerig goedje. Toch lusten sommige mensen sommige naaktslakken. In Indonesië zag ik een blik naaktslakken in een winkeltje staan.

De rode is sterk verwant aan de zwarte wegslak. Misschien zijn het wel twee genetische kleurlijnen binnen dezelfde soort. Naaktslakken zijn man en vrouw in één. Ze kunnen elkaar bevruchten, tegelijkertijd nog wel, in een dubbelspel (m/v). Daarna leggen ze allebei eitjes: bolletjes van gelatine.