Scholeksters in de soos

Scholeksters. Foto Koos Dijksterhuis
Scholeksters. Foto Koos Dijksterhuis

Deze column had kunnen beginnen met de mededeling dat de lente te vroeg begint, maar al kunnen sommige open deuren niet vaak genoeg worden ingetrapt, nu doe ik dat liever niet. Maar dat er lente in de soms herfstige winterhemel hangt, valt niet te ontkennen.

In natuurmonumentje Kardinge bij Groningen staan ik de scholeksters alweer in de soos. Zij verzamelen zich daar iedere lente, op de oever van een meer. Daar rusten ze, poetsen ze zich en inventariseren ze de groep en de onderlinge verhoudingen. Ik heb in Groningen een blauwe maandag biologie en sociologie gestudeerd. De scholekster is een onderzoeksobject waar biologiestudenten vanuit kleine en harde schuilhutjes dagenlang naar moeten staren, terwijl ze iedere scholeksterhandeling noteren. Bij sociologie had buiten Ger Harmsen geen docent enig benul van het bestaan van scholeksters. Terwijl de sociale verhoudingen binnen de scholekstergemeenschap dag in dag uit en vaak ook ’s nachts, en het hele jaar door op de proef gesteld, getart en bevestigd worden. Dat vereist veel stoerdoenerij en geroep: ‘tepiet!’

’s Winters zitten de meeste scholeksters aan de kust, in de lente zoeken ze veilige plekken om hun eieren te leggen. Hun nest is nauwelijks meer dan een kuiltje in het zand, in een niet te dichte grasmat of op een met schelpen bedekt strandje. Op kwelders en in duinen zijn vaak te veel mensen, honden en koeien of andere grazers. Op weilanden hebben ze het een tijd goed gedaan, maar dat is voorbij. Ze weken uit naar akkers maar die worden intussen te vaak bewerkt. Nu zoeken ze hun heil op platte grinddaken, waar hun kuikens geen mensen, machines, auto’s, koeien, honden of katten hoeven te vrezen. Het nieuwe gevaar zit ’m in de val van het dak.

Voordat ze de broedplaatsen verdelen, verzamelen ze zich in de soos op de oever. Ik associeer dat met maart, maar de lente begint tegenwoordig… of staat die deur al open?

(Natuurdagboek Trouw woensdag 16 februari ’22)