Schokkend waterhoen

Waterhoen. Foto José Jansen
Waterhoen. Foto José Jansen

Vrijdag schreef ik over meerkoeten in een Amsterdamse gracht. Terwijl die koeten met plankjes stoeiden, zwom er een waterhoen naar de kade onder mij. Het waterhoen zwom met een schokkende hals, het deed me denken aan zo’n spoorwegkarretje waarmee Buster Keaton zich door zijn stomme films repte. Door een hendel op en neer te duwen, reed hij het karretje voort. Of een waterhoen zich met zijn hals voortbeweegt, weet ik niet, maar het zal best helpen, zoals het tegen de wind fietsend helpt als je je bovenlijf meebeweegt. Een schokkende waterhoen vind ik een aandoenlijk gezicht.

Waterhoentjes zijn kleiner dan meerkoeten, zien er kippiger uit, hebben witte staartveren en een rode snavel. Ze horen net als meerkoeten bij de rallen. Rallen zijn geen eenden. Ze hebben puntige snavels en tenen met lobben, niet met zwemvliezen.

Het waterhoentje verdween tussen afgemeerde bootjes, om ineens te voorschijn te fladderen, bijna recht omhoog, naar een houten balk langs te kade. Daar keek hij reikhalzend naar een onder zeil liggend zeilscheepje. Het zeil lag als een tentje over de giek. Bovenp dat tentzeil stond een rij kokmeeuwen. Het waterhoen stapte met grote, behoedzame passen over de kadebalk, om via een apekooi-achtig parcours van meerpalen en scheepstrossen op het bootje te springen. Daar klom hij op het zeil en liep hij stap voor stap de hele nok af. Hij hoefde niet eens te pikken, alleen al zijn nadering deed iedere kokmeeuw geschokt opvliegen. Toen hij de tent had schoongeveegd, keek het hoentje tevreden om. Wat was dat? De meeuwen waren achter hem weer gaan zitten. Dat was beslist niet hoens bedoeling. In omgekeerde richting herhaalde het waterhoentje zijn anti-meeuwen-manoeuvre.

(Natuurdagboek Trouw 20 jan. 2014)

Schokkend waterhoen
DELEN