Schaatsenrijders zijn geen lieverdjes

Schaatsenrijder, © K. Dijksterhuis

Terug van vakantie wacht een stapel brieven en stroomt een rij e-mails van lezers binnen. Hartverwarmend, die reacties, echt leuk, ook de terechtwijzingen zijn welkom, maar hoewel ik streef naar een snel antwoord, lukt dat niet. Vooral de post blijft wachten. Een gefrankeerde antwoordenvelop hoeft niet, al zou die tijd schelen. De mails zijn gemakkelijker te beantwoorden, als de elektronische snelweg geen uithollingen overdwars bevat. Soms is het meer een elektronische zandweg. Eén bericht kan ik niet meer vinden, zodat ik de afzender niet kan noemen. Het viel een lezer op dat er na jaren van schaarste ineens zoveel schaatsenrijders op het water schaatsen. Prompt zie ik op een wandelingetje rond de plas van Sassenhein bij Haren het water in de luwe hoek bedekt worden door een deken van schaatsenrijders. Of dat voorgaande jaren minder was, weet ik niet. Ik heb er niets over gehoord, maar zoals ook de muggen-, wespen- en andere insectenstanden per jaar fors verschillen, zal dat met schaatsenrijders niet anders zijn.

Er zijn in Nederland acht soorten schaatsenrijders, nog afgezien van de elf soorten schrijvertjes. Schrijvertjes zijn kevertjes die volgens ik dacht Guido Gezelle de naam Gods op het water schrijven. Schaatsenrijders zijn wantsen die op vier van hun zes poten over het water schaatsen. Of lopen. Of roeien. Ze zetten zich af tegen de golfjes die ze zelf veroorzaken. Hun pootjes vormen kuiltjes in het wateroppervlak. Die pootjes zijn dicht begroeid met een microscopisch kleine haardos. Al die minihaartjes drukken kuiltjes in het water. Tussen de haartjes zit lucht, waardoor ze gemakkelijker op het water blijven. Zet je een schaatsenrijder in, pardon op een bak water, en druppel je er wat afwasmiddel bij, dan zinkt het arme dier als een kiezelsteentje. Ze kunnen trouwens best even onder water, ze duiken zelfs. Ze kunnen ook vliegen en over land wandelen. Als ze zich dan bedreigd voelen, springen ze voort.

Ook over het water lijken ze te springen. Als ik aan de oever buk voor een foto, haast zich de hele zwerm er schoksgewijs vandoor. Blijf ik stil zitten,dan schieten ze even snel terug naar hun vertrouwde stekkie.

Schaatsenrijders zijn geen lieverdjes. Met het schrijven van namen Gods houden ze zich niet bezig. Ze loeren naar onfortuinlijke vliegen, bijen en andere beestjes die te water gaan en hulpeloos spartelen. Voor of na die verdrinken, storten de schaatsenrijders zich erop. Ze boren hun snuit in de drenkeling en zuigen hem leeg. Dan hangen ze in een kring met hun snuiten te lurken, als Afrikanen die gezamenlijk door rietjes een kalebas palmwijn leeg slobberen. Schaatsenrijders weten gezellig te tafelen.

Twee weken geleden kwam dankzij Koreaanse biologen het opmerkelijke seksleven van schaatsenrijders aan het licht. Schaatsenrijdermannen bespringen een argeloos vrouwtje, dat daardoor een beetje het water ingedrukt wordt. Het vrouwtje wil meestal niet. maar in plaats van een romantisch voorspel heeft het mannetje iets anders bedacht. Terwijl hij op de vrouw zit, trappelt hij net zolang met zijn pootjes in het water, tot zij hem zijn gang laat gaan. Dat getrappel lokt vissen die schaatsenrijders eten. Het mannetje neemt daarmee een risico, maar het vrouwtje zit in een veel benardere positie dan hij. Zij wil dat het getrappel onmiddellijk stopt en geeft hem zijn zin. Je zou je kunnen indenken dat je de naam Gods anders schrijft.