Schaatsenrijder

Schaatsenrijder. Foto Koos Dijksterhuis
Schaatsenrijder. Foto Koos Dijksterhuis

In door nevels gefilterd avondlicht steken schaatsenrijders zwart af tegen het spiegelende water. De kuiltjes onder hun middelste en achterste poten vallen op. Ze schaatsen vooral op die vier poten. De twee kuiltjes van hun kortere voorpoten vallen minder op.

Schaatsenrijders hebben voetzolen met microscopisch korte haartjes, een vachtje waartussen een flinterdun luchtkussen blijft zitten. Dat luchtkussen verdeelt het lichaamsgewicht, zodat het de oppervlaktespanning van het water niet doorbreekt. De poten van een schaatsenrijder duwen kuiltjes in het water, maar blijven droog.

Schaatsenrijders hebben een lijf van anderhalve centimeter. Ze zijn een soort wantsen. Ze staan roerloos op het water, om zich ineens als volleerde messiassen razendsnel te verplaatsen. In een oogwenk zitten ze een meter verderop.

De waterwantsen mogen beslist niet onder water komen. Dan zijn ze verloren. Dat geldt niet voor sommige andere op water bewegende insecten, zoals beeklopers. Die kunnen zowel op als onder water.

Schaatsenrijders zijn zo snel, dat ze op tijd uit de buurt weten te komen als er een onverwachte golf aanrolt, bijvoorbeeld de boeggolf van een been dat een pootjebadend mens te water laat. Ook een van onderaf toehappende vis wordt bliksemsnel ontvlucht, met een sprongetje zelfs, gevolgd door een schaatssprint.

Omgekeerd schieten schaatsenrijders toe op bijvoorbeeld een muggenlarve die aan het wateroppervlak een luchtje komt scheppen. Maar zo’n muggenlarve is minder zichtbaar dan een van boven in het water gestort insect. Een bij, vlindertje of vlieg dat niet direct uit het water weet te ontsnappen, maar spartelend blijft drijven, wordt weldra door schaatsenrijders omringd. Ze zien zo’n drenkeling met hun bolle ogen, sjezen erheen en boren hun scherpe snuit in het slachtoffer. Gezamenlijk zuigen ze hun prooi leeg.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 3 sept. 2015)