Russisch bezoek met gekruiste snavel

Kruisbek, © Roland Jansen, Steenwijk

De zon straalt uit een staalblauwe hemel, de lucht is helder, er waait een bries over het bos. Ik hoor een vogelgeluid dat me vaag bekend voorkomt, maar dat ik niet kan plaatsen. Het is een gevarieerde serie roepjes: een metalig muziekje met piepjes en gerinkel. Ik kijk omhoog en zie door een hiaat in het naaldendek van grove dennen een roestig silhouet voorbijschieten. Het heeft iets van een forse vink, maar ook wel iets van een kleine vrouwtjesmerel. Tegen de lichte achtergrond durf ik geen soortnaam bij het silhouet te bedenken.

De vogel haalde me in. Ik loop verder in dezelfde richting en bereik na een kilometer een heideveldje. De zon staat al laag, maar boven de hei blijft het warm, dankzij de windschermen van naaldhout. Hé, hoor ik daar weer dat vogelgeluid? Ik geloof het wel. Wacht, bovenin die kale eik zitten zes, nee zeven zangvogels, formaat forse vink. Weer zijn het donkere silhouetten tegen de lichte avondzon. Toch zie ik door de kijker een rossige gloed op sommige vogelbuikjes. En ook in coontour vallen hun flinke, grillige snavels op. Natuurlijk: kruisbekken! Kruisbekken bovenin een eik. Dat zie ik niet vaak, evenmin als kruisbekken in de zomer. Ik associeer kruisbekken met zonnige winterdagen in naaldbos, als de lage zon hun buiken in brand zet. Kruisbekken hebben een asymmetrische snavel, waarvan de punten kruiselings langs elkaar groeien, naar boven en beneden. Met die gekke bek breken ze dennen- en sparrenzaden uit hun kegels.

Ze broeden in Nederland, maar hun aantallen wisselen sterk. In sommige jaren belanden in Nederland duizenden kruisbekken uit Rusland en Scandinavië. Na die jaren blijven er altijd een stel hangen en broeden er ineens veel meer kruisbekken in Nederland dan anders. Ze zijn bij ons niet goed in dat broeden: het lukt ze nauwelijks om kuikentjes op te voeden tot grote kruisbekken. Dan keldert hun aantal weer tot de volgende invasie. De aantallen variëren van een paar honderd tot duizenden paren. Monoculturen van grove den of fijnspar zijn voor kruisbekken niet zo gunstig. Ze eten weliswaar al die pijnboompitten graag, maar beperken zich liever niet tot één zaadsoort. De ene pijnboom vormt zijn zaad eerder in het seizoen dan de andere en in een gevarieerd naaldbos hebben kruisbekken altijd wat uit de kegels te bikken.

Zo’n intocht wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een tegenvallende zaadval van naaldbomen in noord en oost. In de herfst en winter komen altijd extra kruisbekken in Nederland, op de vlucht voor de strenge winter ginds. In Rusland is onnoemelijk veel naaldbos en moeten ontelbaar veel kruisbekken broeden. Daar kijken ze niet op een boom meer of minder, daar denkt het boswachterswezen in honderdduizenden hectaren. Er is sinds de jaren zeventig veel bos aangeplant en vervolgens zijn in Nederland de aantallen kruisbekken toegenomen.

De zeven kruisbekken in de kale eik zijn misschien vertrokken uit Rusland waar het bos vol zat, zodat ze geen territorium konden veroveren. Of misschien konden ze de weg naar Omsk niet meer vinden. Ze wonen nu een tijdje hier. Ontheemd als ze zijn, belanden ze ook nog in een eik. Een kale eik! Hup, daar snorren ze al naar de dennen. Ze verdwijnen tussen de naaldkronen. Hun roepjes klinken nog even na: metalig een muziekje met piepjes en gerinkel.