Rups gered voor de winter

Wapendrager. Foto Koos Dijksterhuis
Wapendrager. Foto Koos Dijksterhuis

De winter is een zware tijd voor de meeste vlinders. Sommige verstoppen zich in holtes, andere trekken weg, de meeste gaan dood nadat ze hun genen hebben doorgegeven. Levende wezens staan eerder in dienst van hun genen dan andersom, zoals Richard Dawkins 45 jaar geleden in The Selfish Gene helder uitlegde. Veel vlinders hebben eitjes gelegd, waaruit rupsen kropen, die zich te barsten gevreten hebben, opdat ze in de winter op hun reserves kunnen interen.

Die rupsen zijn nu op zoek naar een plek om die winter in alle rust veilig door te komen. Daartoe kruipen ze rond en vallen ze meer op dan wanneer ze aan hun lievelingsrauwkost zitten te knagen. Op mijn wandelingen kom ik verschillende soorten rupsen tegen: van kleine kale tot joekels met felle kleuren en woeste haardossen. Ik til of duw ze meestal met een blaadje of stokje naar de vegetatie in de berm. Mijn reddingswerk wordt ingegeven door de platgereden rupsen die ik regelmatig op fietspaden vind.

De rups op de foto krijgt een lift naar de berm. De andere berm ziet er eender uit, maar voor rupsen kan het gras aan de overkant groener lijken. De rups is kleurrijk, harig en maar liefst zes centimeter lang. Hoe groter een rups, des te spijtiger lijkt het als ie dood gefietst wordt, wat misschien onzin is. Maar ik sla ook eerder een fruitvlieg dood dan een langpootmug en treur minder om een dode mol dan om een dode das. Bij grote dieren gaat meer dood dan bij kleine, misschien is dat het.

Dit is de rups van een wapendrager, een nachtvlinder die sprekend lijkt op een afgebroken berkentakje. Berken zijn één van de loofbomen waarin ze eitjes leggen; ook eiken en wilgen zijn in trek. Jonge rupsjes leven in groepen, na twee maanden zijn ze groot en verkiezen ze de eenzaamheid. De rups op de foto sjouwt rond, op zoek naar een holte in de grond. Daar zal hij of zij zich inspinnen om als pop de winter te verslapen.

(Natuurdagboek Trouw vrijdag 17 september ’21)