Roodborsttapuit doet het goed

Roodborsttapuit. Foto Koos Dijksterhuis
Roodborsttapuit. Foto Koos Dijksterhuis

Eén van de weinige vogels die het goed doen in Nederland, is de roodborsttapuit. Al vroeg in de lente, ja zelfs laat in de winter kan een mannetje roodborsttapuit bovenin of op een eenzame struik, boom of paal zitten zingen. Met het zonnetje erop zjin zijn zwarte rug en kop, witte hals en vleugelstrepen en oranjerode borst en buik goed te zien.

Voor 1990 ging het slecht met ze, maar de laatste 25 jaar is het aantal roodborsttapuiten weer voortvarend gegroeid. De fraaie vogels leven op open terrein met ruige vegetatie en hier en daar een boom, struik of paal. In de ruige vegetatie maken ze hun nest, de bomen en struiken gebruiken ze als uitkijkpost. Ook vangen ze vanuit zo’n uitkijkpost insecten. Dan fladderen ze even heen en weer: ‘hap!’ Die jachttechniek hebben ze misschien afgekeken van vliegenvangers, die zijn er meesters in.

Vanouds zijn roodborsttapuiten heidevogels, maar ze hebben geprofiteerd van natuurontwikkelingsgebieden op voormalige landbouwgronden. Die zijn zwaar bemest en binnen de kortste keren bedekt met woeste plantengroei. Bovendien is er altijd een hek in de buurt met paaltjes waarop te zitten valt. Ook in de duinen komen roodborsttapuiten voor, en in afwisselend cultuurland: op de grens van weiland en bos bijvoorbeeld.

De aan hen verwante paapjes deden het voor 1990 eveneens slecht, maar bleven het slecht doen. Dat zijn namelijk vogels van extensief gebruikt boerenland, en nergens wordt het boerenland zo intensief gebruikt als in Nederland

In de herfst trekken veel roodborsttapuiten weg naar Frankrijk en Spanje, maar een handjevol blijft overwinteren. En de wegtrekkers keren al vroeg weer terug. Dat maakt vroeg broeden mogelijk, waarna er vaak tijd is voor een tweede legsels.

(Natuurdagboek Trouw vrijdag 22 april 2016)

Roodborsttapuit doet het goed
DELEN