Roodborstjes met dorst

Roodborst, Foto van Trouw-natuurfotowedstrijd

In deze krant stonden toen het begon te vriezen opbeurende berichten over vroege lentebloemen, die wel tien graden vorst konden overleven. Het werd min twintig. Ik ben benieuwd of u nog/al/weer narcissen, speenkruid, hoefblad, fluitekruid, judaspenning of andere vroegelingen aantreft. Ah, vroegeling natuurlijk, en kleine veldkers. Het leuke van de verder toch teleurstellende afloop van de korte, maar krachtige winter, is dat de lente des te warmer lijkt. De vorst belemmerde planten en legde veel vogels het zwijgen op, maar duiven koerden onbekommerd door, bosuilen riepen, spechten roffelden. De koolmezen zongen nog wel het meest. Als die het voorjaar eenmaal in hun kop hebben, slaat geen ijs dat er meer uit.

Tot zover het goede nieuws.

Roodborstjes deden er het zwijgen toe. De anders zo babbelzieke vogeltjes – ook ’s winters en zelfs ’s nachts zingen ze hun ijle lied – hadden wel wat anders aan hun kopje. Ik zag op een wandeling van zeven kilometer drie keer een roodborstje een slootoever afstruinen, op zoek naar water. De eerste kon dat wel schudden. Nergens een druppel, alles hard, vast en dicht. Hij moest hals over kop vluchten voor de loslopende hond van een wandelaar die niet de indruk maakte dat hij het roodborstje opmerkte. Een ander roodborstje pikte in de op het ijs aangekoekte sneeuw. De derde boekte meer succes. Hij scharrelde op een sloot waar op het ijs mestig water drupte uit drainagebuizen van de aangrenzende akker. Hij had tenminste te drinken. Toch zag hij er van de drie roodborstjes het mistroostigs uit. Een staartveer stond bijkans haaks op zijn lijf, een pootje stond scheef. Die haalde de lente niet meer.