Ronde van Frankrijk

Korenbloemen, © K. Dijksterhuis

Afgelopen weken maakte ik een ronde door Gallië. Over enkele plekken hoop ik u dezer dagen wat te vertellen, als voorpoefje van de zomervakantie. Nederland slaat straks weer op de vlucht naar Frankrijk.

Behalve stokbrood en wijn lokken zon en landschap. De glooiingen van het Franse landschap heeft Nederland niet. En als er in Nederland al een glooiing wordt ontdekt, komt er een machine om de zaak te egaliseren.

En zo hebben we in de twintigste eeuw ook de houtwallen en hagen uit Nederland verwijderd, 300.000 kilometer bij elkaar, weg ermee, leve het prikkeldraad. We hebben het landschap zo ingericht, dat als we nu in Nederland een mooi plekje ontdekken, we het ‘net Frankrijk’ vinden.

In Frankrijk zijn nog veel houtwallen en hagen, al is ook daar flink huisgehouden. Nederlanders gaan niet naar de Franse graanvlakten op vakantie, maar naar de kust en naar schilderachtige gebieden met akkers en weiden tussen randen van meidoorn, sleedoorn, egelantier en acacia.

Langs die akkers bloeien margrieten, korenbloemen en klaprozen. Op die weiden groeien verschillende grassoorten door elkaar. Ze zijn simpelweg niet ingezaaid met louter Engels raaigras, zoals bij ons. Vleeskoeien grazen er met hun kalveren. In de bermen staan dikwijls orchideeën. In dorpen worden die bermen vaak dood gespoten met round-up, maar buiten de dorpen is daar geen beginnen aan.

Franse houtwallen zijn een broedplaats van grasmussen, boompiepers, zwartkopjes, roodborsttapuiten en nachtegalen.

We zagen en hoorden veel van die vogels. Toch kwijnen veel plattelandsvogels ook in Frankrijk weg. In twaalf dagen vol wandelingen hoorden of zagen we bijvoorbeeld maar twee veldleeuweriken en één hop. Maar vergeleken met Nederland is het Franse platteland gemoderniseerd met de Franse slag.