Rietgors, rocker in het riet

Rietgors. Foto Koos Dijksterhuis
Rietgors. Foto Koos Dijksterhuis

Gisteren schreef ik op deze plek over de groepen die ik rondleidde door de Onlanden bij Groningen. Ik had tijdens een proefronde zes verschillende blauwborstjes langdurig in het zonnetje zien poseren, evenals een heleboel rietgorzen en rietzangers, benevens grasmussen, graspiepers, gele kwikstaarten, putters en een roodborsttapuit.

Al die zangers lieten zich tijdens de excursies weliswaar ook zien, maar slechts zo kort dat de ongeoefende vogelaars in het gezelschap ze niet in de kijker kregen. Dat lag aan de wind. Zangvogels zijn terughoudend met vluchtjes als het zo hard waait. Grasmussen, graspiepers, rietzangers en blauwborstjes maken in deze tijd van het jaar charmante baltsvluchtjes, waarbij ze zingend een eindje opvliegen om zich als een parachuutje omlaag te laten dwarrelen. Dat deden ze nu niet, ze zouden maar wegwaaien.

Wel hoorden we ze vanuit de luwte van een meidoorn of het riet zingen. Zelfs een roerdomp hoempte een paar keer. Ook hoorden we tinkelende baardmannetjes en snorrende snorren, en we zagen zelfs een snor door de rietstengels schemeren. Rietgorzen lieten zich soms wel zien, en vlogen ook wel over: hun zwarte kop maakt hen gemakkelijk herkenbaar.

Gelukkig dobberden diverse soorten eenden wel goed zichtbaar rond, evenals futen, meerkoeten en waterhoentjes. Vier soorten ganzen stapten door het grasland en langs de rietkragen scheerden bruine kiekendieven. Bovendien kwaakten de groene kikkers en bloeide het waterdrieblad met prachtige wit met purperen bloemen.

Rietzangers en blauwborstjes zingen een variabel en chaotisch lied, waarin ze andere soorten nabootsen, inclusief elkaar. Blauwborstjes zingen alleen helderder, lijsterachtig. Rietzangers gooien er altijd veel gekras door. Rietgorzen zingen een herkenbaar lied. Het begint met een losse tjiep, gevolgd door een kort riedeltje waar enige swing in klinkt. Ik noem ze de rockers in het riet.

(Natuurdagboek Trouw donderdag  28 april ’22)