(R)evolutie

Het revolutionaire van Charles Darwin was niet het idee van natuurlijke selectie, want dat bestond al. Vooral de bekendmaking ervan aan een breed publiek gaf de Victoriaanse wetenschap een dreun als een heipaal. Dat vertelt de Britse evolutiebioloog Richard Dawkins in een tjokvolle Nieuwe Kerk in Groningen.

Natuurlijke selectie werd allang erkend. Darwins tijdgenoot Edward Blyth zag natuurlijke selectie als mechanisme om alles wat niet in Gods schepping paste, eruit te werken. Natuurlijke selectie als handhaver van de bestaande toestand. De Schotse landheer Patrick Matthew paste natuurlijke selectie toe in de veredeling van appels en hout. Hij zag in dat natuurlijke selectie een evolutionaire verandering in gang kan zetten. Alfred Russel Wallace kwam op hetzelfde idee als Darwin: dat natuurlijke selectie de motor is achter soortvorming en dat daar geen schepper voor nodig is. Maar Darwin wist in 1859 met zijn Origin of Species de wetenschappelijke en lekenwereld op zijn kop te zetten.

Na Darwins dood, vertelt Dawkins, is de evolutietheorie gecombineerd met de erfelijkheidsleer van Gregor Mendel. En sinds chromosomen, genen en DNA bekend zijn, begrijpen we hoe natuurlijke selectie plaatsvindt. Mendel kruiste erwtenrassen van verschillende kleur. Hoe meer kleuren je mengt, des te grauwer wordt de mengkleur. Maar Mendels zaailingen kregen toch erwten van oorspronkelijke kleuren, niet van een mengkleur. Dankzij recombinatie van DNA en af en toe een mutatie wordt het leven juist steeds kleur- en soortenrijker. Als populaties gescheiden raken en geen erfelijk materiaal meer (seksueel) uitwisselen, gaan ze elk hun eigen evolutionaire weg, tot ze zo verschillend zijn, dat ze dat niet eens meer kunnen uitwisselen. Zo ontstaan soorten. In sommige kringen is dat nog steeds een revolutionair idee.