Reuzenwesp

Hoornaar. Foto Koos Dijksterhuis
Hoornaar. Foto Koos Dijksterhuis

De laatste zomers zie ik vaak hoornaars. Ik dacht dat hoornaars een nieuwe aanwinst waren als gevolg van klimaatverandering. Maar ze blijken al lang in Nederland te leven, al rukken ze wel op vanuit het zuidoosten naar het noordwesten. Hoornaars komen nog veel noordelijker dan Nederland voor. Deze zomer zagen we ze in Zweden.

Hoornaars zijn wespen die wel drieënhalve centimeter lang kunnen zijn; twee keer zo groot als onze bekende limonadewespen. Als ik met mijn kinderen in de tuin zit, vergallen wespen soms de feestvreugde. De kinderen overtroeven elkaar in de intensiteit van hun paniekreacties. Daar schrik ik meer van dan van een wesp. Ineens klinkt er een kreet, wordt er een stoel achterovergegooid en rent zoon schreeuwend en zwaaiend weg. De wesp gaat achter hem aan, want een zwaaiend heerschap valt zo’n wesp meer op dan zijn roerloos zittende vader.

Toen we in de tuin zaten te eten en er een luid gezoem klonk, zag ik een hoornaar langs een boomstam patrouilleren. Stom genoeg flapte ik eruit: “kijk een hoornaar, een reuzenwesp,” waarna bijna de tafel gelanceerd werd. Dan liever de lucht in! “Rustig aan,” maande ik, “we zijn Van Speijk niet.”

Hoornaars kunnen pijnlijk steken, maar doen het zelden. Ze interesseren zich domweg niet voor appeltaart, cola, druivensap of gerstenprik. Maar als je ze de weg verspert kunnen ze volhardend drammen en dan kan van het een het ander komen. Zeker in de buurt van hun nest is het oppassen geblazen.

Er worden overigens meer hoornaars door mensen doodgeslagen dan mensen door hoornaars gestoken. Op de foto een hoornaar die bijkomt van een oplawaai met een krant (niet door ondergetekende en niet met Trouw).

(Natuurdagboek Trouw donderdag 18 aug. 2016)