Reus in de stad

Stadsreus, © Koos Dijksterhuis

Middenin de stad zat op een vlinderstruik een enorme zweefvlieg. Het bleek een stadsreus te zijn. Ik vond dat een toepasselijke naam. Ik kreeg hem moeizaam op de foto. Het dier was beweeglijk en een beetje angstaanjagend. Al weet ik dat een zweefvlieg niet steekt, toch schrikt dat zwart-geel gestreepte af. En dan ook nog zo’n joekel… Met 2,5 centimeter toch 2,5 keer de lengte van een gewone pyjamazweefvlieg en veel breder en forser. Maar de stadsreus is een watje dat geen vlieg kwaad doet: hij eet stuifmeel en nectar.Mimicri heet de imitatie van gevaarlijke dieren, opdat belagers terugdeinzen. Het werkt zo goed, dat de meeste mensen zweefvliegen eng vinden en het liefst doodslaan. Dan schiet het imiteren zijn doel voorbij en werkt het averechts.

Met de imitatie-wespendracht doet de zweefvlieg meer dan vijanden bang maken. Stadsreuzen hebben een opmerkelijke voorkeur voor een plek om eitjes te leggen: onderin een wespennest. Als een vrouwtje haar eieren kwijt moet, kruipt ze er zomaar in en de wespen doen niets. Misschien denken ze wel dat de indringster één van hen is. Maar dat lijkt me sterk, want er zijn verschillen die een beetje wesp moet kunnen zien. De stadsreus heeft geen wespentaille, geen lange wespenvoelsprieten en geen langwerpige wespenogen. Hij vliegt bovendien hortend, maar dat zien de wespen niet zolang de stadsreus loopt. De zweefvlieg zal wel geen of een rustgevende geur hebben. Voor betreding van een wespennest poetst ze zich eerst uitgebreid.

De stadsreuslarven leven van dode wespenlarven en ander afval. Als de wespen in de herfst het nest verlaten, hebben de stadsreuslarven het voor zichzelf. Ze overwinteren erin en verpoppen zich in de lente.