Reeën tellen aan de tap

Ree. Foto Koos Dijksterhuis

Als ik uit het raam van de trein of de auto kijk, zie ik regelmatig reeën in het veld. Eén, twee, vier of meer. Zo’n groepje, door jagers een sprong genoemd, kan bestaan uit jongen, uit bokken en uit hinden.

Hinden? Het zijn toch reegeiten? Ach ja. Reeën zijn een kleine hertensoort. Van herten zeggen we bok en hinde, van reeën zeggen we bok en geit. Hinde klinkt mooier, maar verder maakt het mij niets uit. Wonderlijk genoeg noemen we een jonge ree dan weer kalf, alsof het over koeien gaat.

Reeënmoeders werpen soms één, meestal twee kalveren. Die worden verstopt in dicht struikgewas of, op het platteland, in een pluk riet in de sloot, of in het gewas. Geen betere schuilplaats dan een korenveld of hoog gras. Tarwe of gras tot de horizon, overal hetzelfde, vind daar maar eens een ree in. Een loonwerker vertelde me dat hij op de maaimachine nauwelijks een hobbel voelt. Soms laat zijn machine een rode vlek achter. Hij maait stroken van negen meter breed in het tempo van een racefietser; altijd van buiten naar binnen, zodat er geen ontsnapping mogelijk is. Ook niet voor hazen, leeuweriken, kwartels of patrijzen, trouwens.

Elke lente zijn boeren, jagers en anderen in de weer met het redden van reekalfjes. Ze redden er vele, maar er worden er ook veel gedood. Dat is sneu, maar als ze veilig groot zouden worden, gaan ze er alsnog aan want dan wordt de aanwas weer doodgeschoten.

Er worden jaarlijks zo’n vijftien duizend reeën geschoten, om de populatie op peil te houden. Dat peil wordt bepaald door de jagers. Op de website van de jagersvereniging staat dat “er wordt gezinspeeld op een bestand van 100.000 reeën”. Hoe meer er worden gezinspeeld, des te meer er dood mogen. Op de website Animalrights lees ik een interview met Sjaak Kuijpers die van jager in dierenbeschermer is veranderd. “Wij telden de reeën aan de tap en bij elke pot bier werden het er meer”, vertelt hij.

(Natuurdagboek Trouw donderdag 11 oktober ’18)